Janneke van der Horst
 
Mijn stuk 'Ratten en Reigers' gaat nu ook door het leven als 'Rats and Herons' in de reisbundel vol verhalen over Amsterdam. Ook nu te koop!
 
Opgenomen 06/28/2010
 
Zeer verheugd ben ik dat een verhaal van mijn hand is opgenomen in 'Het beste uit 15 jaar Hard gras'  Nu te koop!
 
 
Picture
De prachtige en vooral steengoede verhalen van Thijs de Boer zijn vanaf vandaag te koop in de winkel. Nu nog wordt hij vergeleken met Tsjechov. Over een paar jaar worden Russische debutanten vergeleken met Thijs de Boer.
 
Trash chique 03/30/2010
 
Picture
Als alle Nederlanders hun geboortedorp zelf hadden mogen kiezen dan was het Gooi waarschijnlijk een miljoenenstad geweest. Zeker nu. Al lijkt de grote hype wel voorbij, nog bijna dagelijks hoor ik ergens de begintune van Gooische Vrouwen rinkelen. En als ik vertel dat ik in Blaricum ben geboren en opgegroeid, dan willen mensen weten of we een zwembad hadden buiten in de tuin, of juist binnen, hoe mijn Thaise au pair heette en of ik Gordon wel eens in het echt heb gezien.

Maar niet iedereen uit Blaricum is opgegroeid met geld, zoals ook niet iedereen in Volendam kan zingen. Ik heb Blaricum heel anders beleefd dan het beeld dat er over dit dorp bestaat. Tot mijn twaalfde leefde ik meer als een meisje uit een boerengemeente dan uit een villadorp. Ik zat op de katholieke basisschool. Zong in het kerkkoor. Klasgenoten kwamen na schooltijd regelmatig voorbij als bijrijder op een tractor. In het gezelschap van twee koeien vroeg een schoolgenootje mij eens of hij mijn plasser mocht zien. Dit was mijn eerste seksuele ervaring, ook al zei ik nee. Pas later, tijdens de middelbare schooltijd, kwam ik door de brede lanen, op hockeyfeestjes, leerde ik Lacoste kennen. Het Gooi zoals mensen het graag zien. De charme van een dorp als Blaricum lag, denk ik, in de combinatie van deze twee werelden, van mijn lagere en mijn middelbare schooltijd. De paarden door de straten, gevolgd door de Saab 900. Ze leefden samen in een vredige symbiose.

Maar Blaricum is niet meer het dorp waar ik opgroeide. Zo gaat dat vast met alle dorpen en steden, maar het valt mijn vrienden van vroeger en mij bij terugkeer steeds weer op. En dat terwijl we er pas tien jaar weg zijn. Blaricum begint steeds eenzijdiger te worden.

In De Gooi-en Eemlander stond onlangs dat het Gooi een van de snelst vergrijzende regios in Nederland is. Dat is natuurlijk geen wonder, zeker niet in Blaricum, uitgeroepen tot de duurste gemeente van Nederland. Er zijn maar weinig jongeren die het zich kunnen permitteren om in het dorp te blijven wonen. Betaalbare woningen zijn er nauwelijks. Boeren, stratenmakers, bakkers, timmermannen trekken weg uit het dorpsbeeld. De zogenaamde nieuwe rijken komen ervoor in de plaats.

Als ik er wel eens terug ben, verbaas ik me over deze nieuwkomers. Ze nemen het dorp over, zoals de Hollanders de campings die Ursul de Geer bezocht voor zijn televisieprogramma. Ze bouwen metershoge hekken om hun huizen, begroeten je bij de ingang met hun bewakingscameras, hollen het dorp intellectueel nog verder uit. Sinds twee jaar hebben ze bij de Japanner naar goed Amsterdam-Zuid-gebruik zelfs valet parking. Dit in het centrum van een dorp waar het s avonds nooit een probleem is om binnen tweehonderd meter te parkeren.

In de vermakelijke televisieserie Gooische Vrouwen leven we mee met de sympathieke maar ordinaire Cheryl (gespeeld door Linda de Mol) die probeert haar draai te vinden in het kakkineuze Gooi. We staan aan haar kant. We houden van haar. Verbazen ons steeds over de kortzichtigheid van haar buren. Toch is de houding van oud geld ten opzichte van nieuw geld niet zo verwonderlijk. Nieuw geld is vaak nogal schreeuwerig en in het Gooi praat men nu eenmaal liever op gedempte toon.

In november van vorig jaar stond er in deze krant een artikel over het dorp Laren, het buurdorp van Blaricum, met de kop Slagveld Laren, over de burgeroorlog in het Gooi. Hier werd een beeld geschetst van een dorp dat kapot werd gemaakt door nieuwe rijken en waar burgers elkaar welbespraakt, naar het leven staan. Dit lijkt mij wat overtrokken. In Blaricum overheerst de vredige sfeer nog altijd. Maar dat er toch ook veel onvrede bestaat onder de inwoners over de komst van de nieuwelingen is wel duidelijk.

Al jarenlang hoor ik gemopper over het gedrag van de nieuwe rijken. Ze zouden niet integreren. Bemoeien zich niet of nauwelijks met het verenigingsleven. Hun patserige autos zijn te groot voor de kleine straatjes. Ze parkeren zelden binnen de lijntjes, lijken zich overal welkom te voelen, rijden te hard en verpesten het uitzicht in de achtertuin met hun protserige nieuwe villas. Dit leidt tot onbehagen, burenruzies en soms ook tot rechtszaken. De nieuwe rijken passen zich niet of nauwelijks aan. Terwijl de oude Blaricummers hun kinderen zien wegtrekken, omdat zij het zich niet kunnen veroorloven in Blaricum te wonen. Op de avond dat op de plaatselijke voetbalclub de wethouder een prijs uitreikt aan de vrijwilliger van het jaar, ontvangt een ondernemer een paar honderd meter verderop op een groots galafeest de Mossel Award als de meest succesvolle vastgoedman van het jaar.

Twee gescheiden werelden. Het illustreert dat segregatie niet alleen een grootstedelijk probleem is tussen de middenklasse en de onderklasse, maar ook voorkomt in een dorp als Blaricum tussen de middenklasse en de rijken. Niet alleen trailer trash, het Amerikaanse equivalent van tokkies, kan voor overlast zorgen maar ook, zoals het in het Gooi spottend gezegd wordt, het trash chique. Adel verplicht niet meer.

NRC, 22 maart
 
Bundel! 03/12/2010
 
Onlangs verscheen er een verhalenbundel waarin een verhaal van mij is opgenomen. Lees hier het verkooppraatje van de website van Prometheus:

In zijn essay Over de vriendschap schrijft Michel de Montaigne over zijn liefde voor de vroeggestorven dichter Étienne de La Boétie. De schrijver Tommy Wieringa trof daarin de mooiste definitie van een innige vriendschap die hij ooit las: ‘Bij de vriendschap waar ik het over heb, smelten de geesten samen en vermengen zich tot zo’n volledige eenheid dat zij naadloos in elkaar opgaan. Als ik zou moeten zeggen waarom ik zoveel van hem hield, weet ik daar geen ander antwoord op dan slechts dit: “Omdat hij het was, omdat ik het was.”’

Met Montaigne in zijn achterhoofd nodigde Tommy Wieringa twaalf Nederlandse schrijvers uit een verhaal te schrijven over de vriendschap. Het resultaat is Omdat hij het was, omdat ik het was. Een prachtige verzameling verhalen over die misschien wel zuiverste menselijke omgangsvorm die wij kennen.

Tommy Wieringa schreef onder meer de romans Alles over Tristan (2002, Halewijnprijs), Joe Speedboot (2005, F. Bordewijkprijs) en Caesarion (2009). Hij publiceert regelmatig in de Volkskrant en nrc Handelsblad en heeft een vaste column in De Pers en in Hollands Diep.

Omdat hij het was, omdat ik het was bevat verhalen van Paul Abels, Maria Barnas, Roel Bentz van den Berg, Bob van der Burg, Joost Conijn, Elke Geurts, Janneke van der Horst, Ernest van der Kwast, Marcel Möring, Willem Otterspeer, A.L. Snijders, P.F. Thomése, en Tommy Wieringa zelf.
Picture
 
 
Het Normandische badplaatsje Deauville kent genoeg mogelijkheden om je vakantiegeld kwijt te raken. Er zijn restaurants waar je alles van de kaart wilt proeven en winkels waar een knoop van een blouse meer waard is dan de volle tank van een privévliegtuig.  Maar als je hier dan toch bent is er iets veel machtigers om met je geld te doen: gokken! Dagenlang, onafgebroken het geld van je spaarrekeningen vergokken. Niet zoals in het Holland Casino natuurlijk, dat is aardig voor als je uit de Zaanstreek komt. Maar overdag bij de paardenrennen en 's avonds, niet ver daarvandaan, in het befaamde casino van Deauville, waar gokken een oude traditie is.

Het statige witte gebouw met zijn kitscherige lichtjes heeft dezelfde aantrekkingskracht als een pretpark op kinderen. Hier verspeelde Winston Churchill zijn geld een zomer lang tot de zon weer opkwam, bridgede Omar Sharif tussen filmopnames door, legden vrouwen hun laatste antieke juwelen in en was de voertaal, zelfs onder de schoonmakers, steevast Frans.

Want gokken is geen kinderspel. Gokken voelt nooit als ' domweg gokken', maar als iets waarop je invloed kunt uitoefenen. Het voelt als iets waar je goed in bent of juist niet. Gokken kent hetzelfde fanatisme als een spel waar je fysieke kracht of kennis voor gebruikt. Je geld is je evenveel waard als je eer. En het casino van Deauville is een klein paradijs.

Eens liep ik er zevenhonderd euro rijker naar buiten. We leefden één avond als nieuwe rijken. We dronken whisky en champagne tot het geld op was en we minutenlang avances maakten naar ons eigen spiegelbeeld, in een club onder het Casino waar nog een dresscode geldt. Waar met goud behangen vrouwen en hun veel oudere mannen een avond uitgaan. De betere tijden voor mensen met geld, la belle epoque, de jaren twintig en zelfs vijftig, ze zijn hier nog voelbaar. Er is nog steeds de elitaire losbandigheid, zoals in een boek van F. Scott Fitzgerald. De lucht is vol met geld.

Heimwee naar een tijd waarin je nooit hebt geleefd, naar een status die je nooit zou hebben gehad, bestaat. Het bezeten enthousiasme waarmee een bejaarde vrouw al haar fiches verspeelt en intussen glazen whisky naar binnen klokt, is hartverwarmend, de concentratie van de elegante mannen rond de roulettetafel bijna olympisch. Als je naar de stijve gezichten van de glad geschoren croupiers kijkt, naar de kroonluchters daarboven, denk je jezelf bijna in avondjurk.

Je hoeft dit niet te zien natuurlijk, je kunt ook achter een gokkast gaan zitten, daar een paar euro in gooien en af en toe op een knopje drukken, hopend op het geratel van muntjes. Dan is het net alsof je in de Van Woustraat zit. Maar je hebt hier werkelijk veel fantasie nodig om te leven in het nu.


 
 
Winterstop 12/24/2009
 
Picture
Picture
Picture
 
 
90 minuten zonder verlenging

Wegens succes zijn de schrijvers van ‘Hard Gras’ terug op het veld voor een meeslepende theateravond. Wie het blad Hard Gras kent, weet dat het in het literaire voetbaltijdschrift over veel meer gaat dan voetbal alleen. De verhalen zitten vol tragedie, helden en zaken als verlies, euforie, teleurstelling en machtsstrijd. Het gaat kortom over het leven zelf en dat maakt Hard Gras On Tour een avond voor niet alleen voetballiefhebbers. Gescoord wordt er door middel van filmpjes, verhalen en altijd scherpe anekdotes over het leven op en naast het veld.

In een wisselende, maar altijd ijzersterke bezetting staat het Hard Gras team garant voor een enerverende 90 minuten zonder verlenging. Deze topschrijvers en verhalenvertellers zorgen ervoor dat ook vrouwen niet buitenspel komen te staan.
www.hardgras.nl

De selectie:

Anna Enquist, Hugo Borst, Frans Thomese, Herman Koch, Michel van Egmond, Henk Spaan, Nico Dijkshoorn, Marcel van Roosmalen, Matthijs van Nieuwkerk en Janneke van der Horst .

Op deze avonden mag ik mee:

vrijdag 25 september Amsterdam, Kleine Komedie
woensdag 30 september in Helmond
vrijdag 9 oktober Capelle aan den IJssel
zaterdag 10 oktober in Apeldoorn
dinsdag 27 oktober in Steenwijk (vervallen!).
donderdag 29 oktober in Purmerend
zaterdag 14 november in Rotterdam

Voor de volledige agenda en meer info:
http://www.hardgras.nl/?s1=1302211534315879558&
 
Mijn week 06/09/2009
 

Zondag: de douche geeft alleen nog maar koud water, net nadat ik een dikke laag shampoo in mijn haar heb gedaan. ’s Avonds wil ik wraps eten maar ik ben het pakje met wraps vergeten bij de kassa van de supermarkt, waar ik vorige week ook al een zakje zoute griotten heb laten liggen. Ik durf niet weer terug. De batterij van de afstandsbediening van mijn televisie is leeg, nergens liggen nieuwe batterijen. De thee is lauw als ik een slok neem. Op werkelijk geen enkele zender vind ik Jack van Gelder.
Maandagmorgen nog steeds koud water. De keukenkraan lekt. Op het werk is het half drie als ik denk dat het vijf uur is. Ik heb een blaar op mijn voet van mijn kapotte gymp, stoplichten springen steeds op rood, overal lopen lelijke mensen. De lelijkste schreeuwt me na op straat. Een Belg nota bene.
Dinsdag heb ik vijf goede ideeën voor een column maar ik ben ze na een paar minuten alweer vergeten. Er is weer warm water maar de douchestraal is zo magertjes dat ik eerst mijn rug doe en dan mijn buik. ’s Middags bijna onder een tram gefietst en daarna in een groepje dronken Ierse toeristen, op wie het geluid van mijn fietsbel geen enkele indruk maakt. De keukenkraan lekt nog steeds. Twee keer twee natte sokken. Niemand leuks belt. Top diep in de nacht zeurt het liedje Copacabana in mijn hoofd. Ik herinner me alleen de eerste zin van het refrein.
Woensdag: op mijn balkon zit een mus met een kapotte vleugel. Als ik tegen mijn zin de dierenambulance laat komen, is hij nergens meer te vinden. De broeders zeggen dat dit kan gebeuren, met dieren. Aan het eind van de middag zie ik de mus weer. Zijn vleugeltje hangt er nog steeds zielig bij. Ik laat hem aan zijn lot over en voel me daardoor de hele avond miserabel. Ik probeer dat gevoel weg te drinken maar als ik dronken word, voel ik me nog steeds miserabel. Weer tevergeefs gezocht naar Jack van Gelder op tv.
Donderdag. Slecht geslapen. Nog ver voor de wekker buiten een bakje water neergezet voor de mus met de kapotte vleugel. Op het Rembrandtplein blijf ik in mijn slaperigheid met het voorwiel van mijn fiets in een tramrails hangen en val om. Iedereen kijkt naar me. Mijn broek is iets te laag.
Vrijdag heb ik niets te doen. Mijn ouders vragen of ik mee ga naar een begrafenis. Ik pas. Om mezelf op te vrolijken bel ik drie uur lang naar de moppentelefoon. Een mop schrijf ik op.
Op zaterdagavond ontmoet ik een jongen in de kroeg die gedichten schrijft. Over zijn gevoelens. Omdat hij daar ‘iets mee moet’. Ik probeer hem op tactische wijze te lozen maar hij heeft inmiddels ook gevoelens voor mij gekregen. Die moet hij uiten. Ik veins aambeien en ga naar huis. Onderweg word ik uitgescholden voor kankerhoer en stomme kut omdat ik voorrang heb. Voor mijn huis denk ik even dat ik Han Peekel zie staan maar het is een gearmd Chinees paartje.

 
 

Hij vraagt mij wat me bij hem brengt en ik zeg dat ik een vrouw ben zonder anekdotes. Als ik ergens binnenkom, worden alcoholisten nuchter, grappenmakers stil en krolse meisjes zedig. Ik laat een spoor van saaie avonden na. Maar weer net niet saai genoeg om voor altijd te herinneren. Ik vertel hem dat mensen mijn naam vergeten. Dat in een groeps-chat mijn 'hallo allemaal' altijd wordt genegeerd. Ook onder de naam 'sweetsixteen'. En dat mijn oom en tante zich op een avond aan mij voorstelden toen ik al zeven was.
Hij vraagt me hoe ik mezelf zie en ik zeg hem dat ik als een navigatiesysteem ben waar zonder nadenken op wordt vertrouwd maar waar men op vloekt als het het eens laat afweten. Niemand zal straks zeggen dat ik veel vreugde bracht, die bracht ik niet. Ook geen verdriet of oorlog trouwens en ik stak nooit iemand neer. Ik ben meer een vrouw van de vuisten. In gedachten dan. In de werkelijkheid struikel ik bij onrecht over mijn eigen drie- of meer lettergreepverwensingen. Als ik over mezelf wil nadenken moet ik altijd eerst weer even in de spiegel kijken. Bij mijn familie geniet ik evenveel populariteit als een klemmende voordeur. Wel sus ik al doodgeboren ruzies en stuur dagelijks bemoedigende sms'en naar vrienden met problemen maar anderen worden altijd bedankt. Er zijn mensen die met één ferme schouderklap meer steun kunnen geven dan ik in tien bossen bloemen.
Hij vindt dat ik mijn gevoelens mooi onder woorden kan brengen. En hij denkt dat het goed is om een dagboek bij te houden. Steeds als ik ergens over praat, zegt men dat ik het eens voor mezelf op moet schrijven en wanneer ik erover schrijf, raadt men mij aan er met iemand over te praten. Hij denkt ook dat ik bindingsangst heb. En verlatingsangst. En angst voor waterslangen. En dat klopt.
Ik vraag hem wat ik moet doen om de hoofdrol in een anekdote te spelen maar hij zegt dat een goede anekdote niet te regisseren valt. Hij denkt daarbij terug aan een eigen anekdote, ik zie het aan het glimlachje dat treiterig aan zijn lippen hangt. Ik weet zeker dat hij lid is geweest van een studentenvereniging. Zo'n lachje is het wel. Zo lach je als er ergens kots in het spel was. Ik herken ze. Ik spaar anekdotes van anderen. Ik weet hoe je een herinnering ophaalt, waar je je handen houdt en hoe je de toehoorder aankijkt.
Toch is dat iets anders dan het zelf in de praktijk brengen. Soms vertel ik een verhaal, een grappig verhaal, net daarvoor door een ander verteld. Ik vertel het precies hetzelfde, neem op hetzelfde moment adem, wissel het verteltempo op exact dezelfde manier af. Toch ontvang ik geen enthousiast gelach, geen geproest en wordt er niet op benen geslagen. Ik heb nog nooit iemand een goede anekdote over mij horen vertellen, noch is het mij gelukt een goede anekdote niet te verkrachten.
Hij vraagt me waarom ik zo graag een rol in een anekdote wil spelen. En ik hoef daar niet over na te denken. Een mens zonder anekdotes is al voor zijn sterven dood. Hij vraagt of ik dit wil toelichten en ik wist dat hij dat zou vragen maar ik weet niet hoe ik het moet uitleggen. Het gaat allemaal over later.
Op begrafenissen maak ik aantekeningen. Thuis heb ik alvast netjes uitgewerkte begrafenisredes liggen voor op mijn eigen begrafenis. Voor te lezen door mijn zus, mijn elfjarige nichtje, een paar vriendinnen, een collega en een vriend. Een anekdote valt niet te regisseren, maar de herinnering aan mij wel. Het maakt niet uit dat het niet waar is. Het geheugen kent geen absolute waarheid. Ik zeg hem dat aangeprate herinneringen ook herinneringen zijn. En dat de tijd aan mijn kant is. Hij antwoordt dat de tijd om is en dat ik tachtig euro moet betalen. Als ik opsta zie ik dat hij niets heeft opgeschreven maar wel een tekening heeft gemaakt van een kudde zebra's.
We maken een nieuwe afspraak.