Janneke van der Horst
Dromen 01/30/2009
 

Ik ben op de IMC Weekendschool Zuidoost, leerlingen uit groep acht uit de Bijlmer ondervragen me over het schrijverschap: “Heeft u een man? Heeft u kinderen? Wilt u kinderen? Wilt u heel misschien kinderen, u ziet wel hoe het loopt of heel erg graag? Wat voor man zoekt u?”
De geestdriftige ondervrager Jonathan is vooral geïnteresseerd in de mens achter de schrijver, blijkt. Maar het meisje Andrea niet. Zij heeft zelf een boek geschreven, vertrouwt ze me later toe. Ze denkt aan haar boek als ze mij een vraag stelt. “Bij welke uitgeverij zit u? Hoe kwam u daar terecht? Kunnen kinderen ook geld verdienen met het schrijven van boeken? Wie zijn uw inspiratiebronnen?”
Op de laatste vraag antwoord ik met mijn lievelingskinderboekenschrijvers. Roald Dahl, Thea Beckman en Astrid Lindgren. Ik weet niet of ze nog steeds geliefd zijn onder kinderen en ik vraag voorzichtig of ze deze schrijvers misschien kennen. Vier meisjes links van mij, vier verschillende culturen, knikken braaf en noemen titels.
Het zijn totaal andere werelden maar we lazen zo’n zestien jaar geleden dezelfde boeken in Blaricum als deze Bijlmerkinderen nu. Het is een geruststellende gedachte. We spreken een beetje dezelfde taal.
De langste van het stel, Jamith, steekt nooit zijn vinger op als hij iets wil vragen. Misschien komt het door zijn lengte, misschien doordat hij zo zachtjes praat, dat ik steeds als hij iets zegt, de vingers van de rest negeer. “Kun je uw boek in de winkel kopen?” vraagt hij. Ik antwoord bevestigend. Hij glimlacht even, heel kort, en antwoordt dan nog zachter: “Dromen kunnen dus uitkomen.”
Jamith weet niets van mijn dromen en ik weet niets van zijn dromen maar ik begrijp nu dat deze school de kinderen hoop geeft. Deze kinderen, afkomstig van de armste, zwarte scholen, komen hier in aanraking met uitgekomen dromen. Op alle niveaus. Ze ontmoeten advocaten maar ook doventolken, liedjesschrijvers, artsen, cameramannen, topsporters, verplegers, dierenverzorgers uit Artis. Mensen die hun vak met plezier beoefenen. Ze leren dat er meer is tussen schoonmaker en arts.
De kinderen krijgen de opdracht zelf een verhaal te schrijven. Het resultaat is soms verrassend, maar vaker nog ontroerend. Een geboren journalist schrijft een verhaal over Russen die Amerika aanvallen: ‘Binnen de VN wordt besloten dat Rusland alle schade aan Amerika moet compenseren.’ Er gaan veel mensen dood in de verhalen, er zijn drugs, tumoren, auto-ongelukken, coma’s, maar ook verliefdheden, een droom over een sinaasappel en een eerste dag op de middelbare school. Soms zijn verliefdheden waar gebeurd, soms zijn de doden echt dood.
Een bedeesd meisje laat mij haar verhaal over een eerste verliefdheid lezen. ‘Dingen die niet bijzonder lijken, kunnen heel bijzonder zijn.’ Ik zeg haar dat ik het een prachtige zin vind en dat het voor mij de essentie van schrijven is. Schrijven over dingen die niet bijzonder lijken. Ze is zo verlegen dat het lijkt of haar glimlach naar binnen trekt.
Ik vraag of ze schrijfster wil worden. ‘Nee, dokter. Chirurg. Of misschien actrice.’ Ze durft haar eigen verhaal niet voor te lezen in de klas. Cherrelle durft dat wel. Ze neemt het uiterst serieus. ‘Titel: moet ik nog bedenken. Schrijver: Cherrelle. Uitgeverij: nog niet bekend.’
Niemand moet hierom lachen.

 
 

Het zwembad loopt over in de zee. Zo lijkt het. Het is moeilijk te zeggen waar het zwembad ophoudt, de zee begint en de lucht het overneemt. Aan de overkant zie je de vuurtoren van Saint-Tropez staan. Er varen bootjes en grote jachten voorbij. De zon schijnt, de ijskast is gevuld met alles waar ik van houd en met spullen waar de rest niet van aankomt.

's Avonds genieten we mee van het vuurwerk van de feesten van supersterren en de slaapkamergeluiden van de buren een eindje verderop.

Ik stel voor dat we hier blijven. Voor altijd. We kunnen hier immers ook werken. Biertappers en artsen zijn overal nodig. We blijven hier, verdelen de kamers. Er is plek genoeg. Voor altijd in deze formatie. Voor altijd met zijn vieren. We koken 's avonds om de beurt. Turen daarna over het water. De cicaden overstemmen met hun hoge getjirp het geluid van het achteroverklokken van alle flessen wijn.

We praten over onze dag totdat de muggen ons naar binnen jagen. We ruiken 's nachts naar citroen en de knoflook van de lunch, het avondeten en de hapjes bij de borrel voor het slapengaan. Misschien beginnen we na verloop van tijd wel een hotelletje. Dat noemen we dan Les Amies. Onze ouders kunnen daar hun oude dag uitzitten met zicht op de Middellandse Zee. Of we worden eigenaar van een Bar Tabac, waar oude mannen komen gokken op paarden, jongere mannen loten krassen en de vrouwen over elkaar roddelen.

We laten hier in de tuin limoenen, olijven, lavendel en tijm groeien. In onze vrije tijd maken we onze eigen parfum en stampen blootsvoets in onze eigen druiven. Vrienden die ons bezoeken geven we zelfgemaakte wijn mee en Franse mayonaise voor onze broers.

We worden door de zeelucht uitgerust wakker en prijzen ons steeds gelukkig dat we niet met onze fietsen door de miezerregen hoeven. We bedenken ons hoe grauw de lucht kan zijn in Amsterdam op maandagochtend en hoe diep de plassen op de Stadhouderskade. Hoe hoog onze trappenhuizen zijn.

Soms denken we aan tram 5, de ' gratis' tram waar het op natte herfstdagen zo stinkt naar vochtige jassen en hondenharen. Aan de supermarkten waar je geen levende kreeft kunt krijgen of een iPhone. We vragen ons af met wie onze oud-collega's de perforator nu moeten delen. Hoe het onze andere vrienden vergaat. En of Arnots op het Singel nog bestaat. En grillroom Mama op de Korte Leidsedwarsstraat voor de nachtelijke pitabroodjes kaas. We denken aan de winkels die niet dicht zijn met de lunch. Aan de rust van een avond alleen. Ochtenden alleen. Middagen alleen. Even alleen zijn.

We missen de lucht door de kale bomen. We dromen 's nachts over het Spui. En we betrappen ons er bij het ontbijt steeds vaker op te bedenken hoe het zou zijn de andere drie, één voor één, net te lang met hun hoofd onder water te houden.

 
Zwemles 01/29/2009
 

Ik heb op de lagere school vier jaar over mijn zwemdiploma gedaan omdat ik mijn hoofd niet boven water kon houden. Zo verklaarde mijn zwemleraar dat in ieder geval aan mijn ouders. Dus bleef ik net zolang lessen volgen tot ik dat wel kon. Maar leven moet je maar meteen kunnen en je krijgt ook nooit een diploma. Sommige mensen vinden dat geen probleem. Leven is voor hen blijven ademen. Wanneer je hart maar pompt en je adem kunt halen dan leef je. Zo simpel ligt het volgens mij niet. Zwemmen is ook iets heel anders dan slechts je hoofd boven water houden. Een dikke jongen uit mijn tweede jaar zwemles kon heel goed drijven op zijn rug. Hij ging in het water liggen en dreef. En verder deed hij niks. Onze zwemlerares probeerde hem de slagen te leren maar zodra ze niet keek draaide hij zich op zijn rug om weer te gaan drijven. Hij keek altijd gelukkig wanneer hij dreef maar zwemles gaat niet om geluk. Iedere keer werd hij weer aan een haak naar de kant getrokken. Dat soort dingen kon ik als kind al niet aanzien. Volgens mij heeft de dikke jongen nooit zijn diploma gehaald terwijl ik zeker weet dat hij nooit zal verdrinken.


 
 

Vrijgezelle lezer, maakt u zich vooral ongerust. U heeft jarenlang alleen maar gefocust op uw spiegelbeeld, uw spiermassa en overbodige haartjes, die u zelfs in de flipstand nog even snel met een pincet wist te bereiken. Maar zegt u nu zelf, wanneer heeft u voor het laatst een diepgaand gesprek gevoerd? Genoten van een zingende merel in de regen en een film waarin goed werd geacteerd? Wanneer was u voor het laatst lekker spontaan en avontuurlijk?
Uiterlijk is van gisteren. Van de twintigste eeuw. Er is vandaag de dag een kans van één op tien dat u uw partner ontmoet op het Internet in plaats van bij de koffieautomaat van het middelgrote bedrijf in de randstad waar u werkt of op dansschool & partycentrum Petra. En die kans stijgt met de dag. Wij zijn opgevoed met het idee dat schoonheid van binnen zit. Ergens heel diep. We hebben het nooit aangenomen. En nu is het te laat. We hebben onze inhoud enorm verwaarloosd op fitnessapparaten, blaadjes sla en Bruna's boeken top tien. Maar nu is de tijd daar dat we het op inhoudelijke kracht moeten doen. Onze goede huid maakt geen enkele eerste indruk meer. Onze woorden zijn ons nieuwe uiterlijk. Over twintig jaar weet niemand meer beter dan liefde op het eerste tekstje bij Relatieplanet. Van deze site heb ik alvast een selectie voor u gemaakt, om er in te komen, uit de groep hoogopgeleide – ik herhaal, hoogopgeleide – mannen en vrouwen tussen de vijfentwintig en de veertig jaar oud. Waar is Cyrano wanneer je hem nodig hebt?

Ons voorland:
 
Linda: 'Hi leuke mannen van Nederland, ik ben een leuke, spontane, knuffelige meid van achtentwintig. Op zoek naar een lieve, oprechte, betrouwbare, rechtschapen en vooral EERLIJKE man die een echt knuffeldier is en dus niet liegt. Heb je zin om met mij, mijn dochtertje en onze twee wilde rasterriërs het bos in te gaan op zondagmiddag? Mannen van boven de veertig met vrouw krijgen geen antwoord.'


Joseph: 'Ben jij die leuke meisje?'

Johan: 'Ik kan op verschillende standjes. In de stand 'romantisch' zing ik gedichten van Poesjkin voor je en begeleid ze met een goed glas goed gerijpte rode wijn op de piano. Het intellectuele standje is voor wanneer je ernaar verlangt diepzinnige filosofische gesprekken met me te voeren, bijvoorbeeld over de relatie tussen taal, denken en realiteit. Zet je me in de stand 'dierlijk' dan grom ik vervaarlijk en loop je de kans dat ik je plotseling van achteren bespring.'


Margriet: 'Anderhalf jaar geleden is mijn man overleden bij een auto-ongeluk (niet zijn schuld) waar ik nog steeds zelf een whiplash aan heb overgehouden. Hierdoor kan ik mijn oude hobby streetdance helaas niet meer beoefenen en ben ik zodoende heel wat vrienden verloren en zit ik veel alleen thuis en ben ik derhalve weer in een depressie geraakt waar ik met vallen en opstaan uit probeer te komen.  Ik hield vroeger van de natuur en cabaret.'


Bastiaan: 'Wat ik zoek? In ieder geval geen chagrijnig pleuruswijf dat de hele dag loopt te zieken aan je harses en zelf niks meemaakt. Voel je je aangesproken? Niet Reageren! In het kort iets over mezelf: fijngevoelig en sociaal.'

Hendrik: 'Ik zoek een vrouw, werk en woning.'


Inhoud telt eindelijk. En daar mag u best een beetje angstig van worden.



 
 

Liefde is sterker dan een regenbui. Ondanks een natte lente en witte wintermaanden houdt het krijt al sinds het  Paasfeest stand. Iedere keer betrap ik me op een licht gevoel van euforie wanneer ik er langsfiets. Het staat er nog. In deze straat waar het ’s ochtends naar oud bier ruikt en er ’s middags Oost-Europeanen messen slikken voor dronken toeristen, geven deze woorden nog wat hoop. Net als kinderstemmen op begrafenissen. Of alcohol op een bedrijfsuitje. De zoen begin ik me langzaamaan toe te eigenen, zoals verhalen van goede vrienden soms de jouwe worden. Ik weet niet of dit een eerste zoen ooit was, of een eerste zoen met iemand van betekenis. Ik denk het laatste, het is geen plek waar jonge tieners zich (zouden moeten) ophouden. Zij, ik vermoed dat zij het was, heeft het er later op geschreven. Een eerste zoen bestaat alleen bij de gratie van een tweede zoen. Voor hun tweede zoen noemden ze het waarschijnlijk nog de 'grote zoen'. Het was geen hongerige zoen, niet wild en onstuimig. Met handen overal. Het was een zoen tussen twee mensen die wisten dat ze de tijd hadden. Of er in ieder geval niet mee in gevecht wilden gaan. Hij zei dat ze mooi was. En zij was nooit mooier. Maar dat wist hij toen nog niet.

 
Kwaliteitsvlees 01/26/2009
 

Het is ondanks mijn vliegangst altijd weer bijzonder aangenaam om van Amsterdam naar Nice te vliegen en terug. Het is een zeer prettig soort mensen waarmee je het vliegtuig deelt. Niemand dringt voor of maakt schuine moppen tegen de stewardess.

Sommige mensen zien vliegen als een sportieve prestatie. Doen speciaal voor de vlucht hun hardloopschoenen en joggingbroek aan, maar met de mensen in dit vliegtuig kun je direct door naar la Rive in het Amstelhotel. De overhemden en gezichten zijn glad gestreken, men spreekt met elkaar op fluistertoon, er wordt hier en daar bescheiden gekucht. Uiteraard klapt de passagier voor je niet zonder een beleefd ‘pardon’ de stoel achterover op je schoot en wordt er niet geklapt als de piloot het toestel aan de grond zet. De piloot is potjandorie geen straatartiest.
Er zijn hoeden en hoedjes en veel goud bij brons gerimpelde huiden. Net niet dezelfde huiden als hoog geblondeerde vrouwen met platte tongval langzaam laten garen in Spaanse badplaatsen. Het scheelt weinig, maar de Rivièrazon bruint net iets chiquer dan die aan de Costa del Sol. Oudere vrouwen dragen verveeld kijkende hondjes mee in deftige mandjes. Ik vermoed dat de hondjes in de winter wel eens een jasje dragen.

Behalve de vrouwen met hun hondjes heeft niemand opmerkelijke handbagage mee. Op sommige vluchten zag ik mensen de meest merkwaardige voorwerpen het vliegtuig binnendragen. Lange buisvormige dingen. Vierkante dozen, lood om mee te duiken, gitaartassen, in noppenfolie ingepakte apparaten volgeplakt met een dreigend ‘breekbaar’. Onvoorzichtig op jouw See Buy Fly-tasje met sterke drank gegooid.

Volgens een meisje bij de marechaussee nemen veel vrouwen hun vibrators mee in hun handbagage. Daar kun je natuurlijk niet een paar dagen zonder als je koffer onverhoopt achterblijft of wanneer je een vlucht hebt van langer dan vier uur. Holden Caulfield beweert in The Catcher in the Rye dat een koffer veel zegt over een mens. Laat ik dat aanscherpen: handbagage zegt alles over een mens. Ik weet zeker dat ik nooit een man zal trouwen die een lang buisvormig ding meeneemt op een vliegreis.

Mijn vliegangst, of claustrofobie, is met zulk gesoigneerd gezelschap merkwaardig genoeg minder aanwezig. Al zijn mijn handen nog steeds klammer dan onder normale omstandigheden en mijn nagels niet meer even lang als ik ben geland. Vliegen blijft iets barbaars. Niet alleen omdat je kilometers boven de grond hangt, een vrij onnatuurlijke positie, maar ook omdat je urenlang de lucht van een groep totale vreemden zit in te ademen en al die tijd armpje vrijt of vecht met iemand die je op de grond niet eens de weg zou willen wijzen.De vergelijking met een grote groep roze varkentjes op weg naar het slachthuis komt vaak in me op. Al zijn het nu natuurlijk wel bijzondere varkentjes. Ze kregen alleen het allerbeste eten en zijn opgegroeid met meer dan genoeg ruimte. Als je goed kijkt, zie je de stickers met ‘kwaliteitsvlees’ erop.

 
Pianoman 01/26/2009
 

Hij vindt het vervelend wanneer ik ‘oobloomof’ zeg in plaats van ‘o blomhov’ of wanneer ik zijn horoscoop hardop voorlees aan het ontbijt. Soms spreekt hij een zaterdaglang bijna niet tegen me omdat ik de krant eerder heb gelezen en niet goed heb teruggevouwen. Het liefst ziet hij dat ik mijn haar opsteek, niet rook en mijn rode jurk als we uitgaan.

We bewonen de eerste etage van een grachtenpand. Ons huis ligt aan de schaduwkant van de gracht. In de winter is het in ons huis warmer dan in de zomer omdat ik dan kaarsen aansteek en hij de openhaard. Op vrijdag neemt hij bloemen mee naar huis. Hij overhandigt ze dan aan mij om in een vaas te zetten. Ik bedank hem vriendelijk. Soms, heel soms op zondagmorgen, rolt hij tegen me aan, ruikt aan mijn haar en streelt mijn rug net als aan het begin. Ik houd dan mijn adem in, bang om zijn handen af te schrikken. Hij heeft pianohanden, heb ik de eerste keer tegen hem gezegd. Hij heeft een pianolichaam. Hij is lang en slank en heeft sluik blond haar. Zijn haar is nog niet grijzend, zijn lichaam nog niet veranderd. Dat van mij wel. Af en toe zie ik dat hij naar me kijkt wanneer ik naakt ben. Mijn naaktheid windt hem niet meer op, ik zie het aan zijn blik. Die is niet afkeurend, niet uitermate teleurgesteld. Eerder onderzoekend. Zoals je als kind wel eens een je zandkasteel probeerde terug te zien in een hoopje nat zand. Soms lijkt zijn blik verwijtend, alsof hij mijn lichaam verwijt mijn lichaam te zijn. Alsof het niet mijn jonge lichaam is waar hij naar op zoek is maar een ander lichaam. En dan glimlacht hij naar me, berustend. En ik kan niets anders doen dan hem haten. We gaan nog maar zelden met elkaar naar bed. Wanneer we het doen is het alsof ik er niet toe doe. Oscar houdt zijn ogen gesloten. Stoot in me als een bokser die niet van ophouden weet, de bel niet wil horen en maar door blijft slaan. 

Oscar is mijn grote liefde, zoals dat heet. Hij sprak me aan bij de groenteboer. Later zei hij dat hij zelden vrouwen zomaar aansprak. Dat hij ze het liefst van een afstandje bekeek. Ik stond achter hem in de rij en rekende mijn appels en twee ansichtkaarten af. Hij had naar me omgekeken en gezegd: ‘Ik zou graag een ansichtkaart ontvangen.’ Hij zei het zonder glimlach, zonder te flirten. Alsof we al jaren een liefdesrelatie hadden en hij me iets opbiechtte. Ik had niet durven lachen om zoveel ernst, zei alleen dat ik er hem een zou sturen en schreef zijn adres op de achterkant van een vergeten kassabon. Op weg naar huis gooide ik de kaart in de brievenbus. Ik had er alleen mijn telefoonnummer opgezet en ik waarschuwde mijn huisgenoten dat er een man kon bellen die Oscar heette en dat het voor mij was. Dat er een man voor me kon bellen. 

Hij hield van films en nam me, toen we net samen waren, veel mee naar kleine bioscopen waar je je drankje gewoon in een glas kreeg in plaats van karton. We zagen stille films. Films met handcamera's geschoten. Veel naakte vrouwen, geschreeuw en Zuid-Koreanen. We volgenden een uur lang een muis, scharrelend door de keuken op de klanken van housemuziek. Hij probeerde het me soms uit te leggen. ‘Dat ging over ons’, zei hij dan. ‘Over onze generatie. Dat je dat niet ziet. Dit was een spiegel. Het gaat over de eenzaamheid van onze generatie.’ En ik knikte.

'Het was iets kleins, het was jaren terug', zou de buitenwereld zeggen. Of: 'er is niets gebeurd, wees blij'. Maar de kou vindt zijn weg door kieren. We waren de stad ingegaan voor inkopen en hadden ruzie gekregen over de relativiteitstheorie. Hij probeerde het mij al weken uit te leggen. Ik zei hem in de platenzaak dat mensen niet teveel zouden moeten tornen aan begrippen als 'tijd'. Dat ik het leven graag als een lineaire lijn zag, met een nulpunt links en het eindpunt rechts. Hij had me beledigd aangekeken. Voor Oscar was het een vorm van verraad wanneer ik me niet interesseerde voor zijn interesses. Een vorm van achterlijkheid ook. Hij herhaalde wel drie keer ‘lineaire lijn’, voor hij wegliep. Ik heb daarna op hem gewacht in het café, zijn lievelingscafé, ik had eindeloos lang op hem gewacht, het werd donker, het liep tegen sluitingstijd, ik keek steeds op uit de krant of een tijdschrift uit het rek. Ik had naar mijn vinger gekeken, de ring er afgehaald, naar het witte stukje vlees eronder. Ik vroeg me af hoe lang het zou duren voordat mijn vinger eruit zou zien of er nooit een ring had gezeten. Alsof er niet jarenlang dezelfde ring had gezeten, precies op dezelfde plek. Oscar kwam binnen toen ik al was vergeten op hem te wachten. Hij zei:‘Ik heb het niet gedaan. Ze wilde het. En ik wilde het ook, maar ik heb het niet gedaan.’ Hij keek me bijna triomfantelijk aan. ‘Ik wil het al meer dan een jaar.’ Daarna nam hij een slok van mijn wijn. Het was prettiger toen ik nog op hem had zitten wachten. Toen hij er nog niet was. En niemand tegen me sprak over een vrouw, ik wist niet wie, maar wel dat het niet over mij ging. Hij verwachtte dankbaarheid. Ik zag het aan hem. Hij vond dat ik hem moest prijzen voor zijn kracht, hij wilde erover vertellen als een oorlogsheld. Maar ik zweeg. En rekende af.

Had het gedaan, wil ik nu nog wel eens tegen hem schreeuwen. Was met haar meegegaan, had haar op bed gegooid, had het gewicht van je pianolichaam op haar gelegd. Was zonder angst, vol overtuiging in haar gekomen en had niet gedacht aan mij. Maar we hebben het er niet over. En hij zegt: ‘weet je hoe het komt dat de lucht blauw is?’
En ik wil het weten. Ik wil het echt weten.

 

 

 





 
 

Ik kreeg de autobiografie van Joyce Maynard, waarin een groot gedeelte gaat over haar korte relatie met J.D. Salinger. Zij was achttien toen, hij drieënvijftig. Bijna twee keer een volwassen leven stond tussen hen in.

Haar boek werd, nu tien jaar geleden, door veel recensenten verguisd. En nog steeds. Maynard zou uit zijn op geld en roem over het hoofd van Salinger. Ik heb geen idee wat de werkelijke beweegreden was van Maynard.

Misschien wilde ze terugslaan of misschien had ze gewoon een verhaal te vertellen. Zoals er wel meer zijn met die aandrang. Stap maar een willekeurige kroeg binnen. Het boek gaat namelijk niet alleen over Salinger. Ook over haar jeugd, haar ouders, andere liefdes. Ik sla de paginas over haar kindertijd en al die 'crap' over. Ik ben daar zelden in geïnteresseerd, geloof dat we pas echt geboren worden wanneer we de ouderlijke huizen verlaten. Ik ben een van die gluurders die nooit aan het boek begonnen was wanneer Salinger er niet werd uitgekleed. En blader driftig door, zoals eens naar bepaalde paginas in Turks Fruit.

Het is het risico van twee schrijvers in een liefdesrelatie. Mee te gaan in verhalen of gedichten. Ik vermoed dat geen enkele schrijver de muze of mannelijke muze wil zijn van een andere schrijver. Die macht over jezelf uit handen geven is alsof iemand je pen afpakt. En aan de achterkant van je velletjes begint te schrijven. Zodat het door je eigen woorden heen schijnt.

Maynard is een stuk minder wreed of wrokkig dan ik naar aanleiding van reacties had verwacht.

Het is gewoon een verhaal over een tragische liefde. Over een jong, beïnvloedbaar meisje met een veel oudere en sterkere man. En dat gaat uit. En dat is zelden in een goed overleg. Maar Salinger houdt zijn kleren nog netjes aan. En hij leeft nog. Hij is in de gelegenheid zich te verweren. Invloed uit te oefenen op hoe hij herinnerd wordt.

Een kans die Ischa Meijer na de verschijning van I.M. niet was gegeven. Steeds weer als ik door de Reestraat fiets, zie ik de dikke man daar in zijn broek poepen.


 
 

De dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, verloor ik mijn fietssleutel en mijn vader. Het was een warme dag. Zo'n dag waarop de sproeiers aangaan aan het eind van de middag en je uit alle tuinen de uitgelaten stemmen van de buurtkinderen hoort die in hun ondergoed door het drassige gras glijden. Mijn vader had me die ochtend thuis gehouden van school zodat we eens een dag samen hadden. Zonder mijn bemoeizuchtige moeder om ons heen, die voor een paar dagen naar familie in het Zuiden was. Haar leren koffer had ze volgestopt met delicatessen uit de stad. Wij mochten er niet van snoepen. Mijn vader en ik waren speciaal voor haar familiebezoek nog gefotografeerd. Ze had mij een wit jurkje aangedaan, bekleed met fijne roze bloemetjes. Voor mijn vader had ze een pak en een grote hoed. Het pak was van zachte wol gemengd met kasjmier. Mijn moeder kon niet stoppen over de stof te aaien. ‘Wat kun je toch een dandy zijn,’ had ze gekird terwijl ze haar rood geverfde lippen op zijn wangen achterliet. Toen ik de tuin inliep had mijn moeder licht hysterisch in haar handen geklapt zoals vrouwen dat doen wanneer ze een duur cadeau krijgen. Ze liet me minutenlang rondjes draaien zodat mijn jurkje omhoog bolde en ik gezonde rode wangen kreeg. ‘Prinsesje, prinsesje!’ riep ze opgewonden. Mijn vader had naar me geknipoogd om daarna mijn hand overdreven afstandelijk in de zijne te nemen en arrogant naar de lens te kijken. Mijn jurkje voelde zacht aan op mijn blote benen en kietelde mijn knieën wanneer ik bewoog. De buurjongens keken nieuwsgierig onder de heg door, maar mijn moeder joeg ze met een sissend geluid weg, alsof het katten waren. Na de fotosessie werden we naar binnen gestuurd om ons weer voorzichtig te verkleden, want de kleren moesten dezelfde dag nog terug naar de winkel.

De ochtend van de dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, en mijn fietssleutel en mijn vader verloor, was mijn moeder in alle vroegte vertrokken. En mocht ik van mijn vader een ei kiezen. ‘We eten alleen eieren die zijn geboren om eieren te blijven.’ Ik had geknikt en gekeken naar de schaal vol met eieren die hij op de keukentafel had neergezet. ‘Je moet goed luisteren. In sommige eieren zitten kleine kuikentjes. Wanneer je die in de pan gooit, heb je veren in je dooier.’
‘Ik wil geen veren in mijn dooier,’ had ik gezegd terwijl ik een ei bij mijn oor hield.‘Niemand wil veren in zijn dooier, puppie. Niemand.’ Hij keek me aan. ‘Hoor je iets, een zacht gepiep?’ Ik luisterde geconcentreerd en keek naar mijn vader die zijn vinger op zijn lippen hield. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij nog een keer.‘Ik denk het wel,’ bracht ik onzeker uit terwijl ik een zacht, zeurderig piepen dacht te horen. ‘Bij twijfel altijd wegdoen,’ fluisterde mijn vader en gooide het ei in de prullenbak. Na twaalf eieren hadden we twee eieren waarvan we zeker waren dat er niet in werd gepiept. Mijn vader had de inhoud van de eieren in de pan laten vallen en het vet over het fornuis laten spetteren. Ik had een doekje gepakt maar hij had het van me afgenomen en in de gootsteen gelegd. ‘Vandaag heb je v.v.m.s., pup.’‘Is dat een spel?’Hij streek over mijn haar. ‘Het is geen spel, maar de hele dag spelen. Vrij van moeder en school. Daar heeft ieder kind drie dagen per jaar recht op.’ Hij tilde me op en draaide me in de rondte tot ik duizelig werd. ‘En iedere vader ook,’ zong hij uitgelaten toen ik nog nawankelde.

We hadden de hele omgeving van de poffertjeskraam afgezocht, maar nergens was mijn fietssleutel te vinden. Als troost had ik de hele weg naar huis op de bagagedrager mogen staan en mijn vader mogen commanderen hoe hij moest fietsen. Ik had me vastgehouden aan zijn oren en hij liet me thuis zien hoe groot ze daardoor waren geworden. ‘Dankjewel, puppie, nu kan ik zelfs de mieren horen stampen.’
Ik had hard gelachen.‘Stil eens,’ zei mijn vader terwijl hij zijn hoofd naar rechts boog en zijn ogen sloot. ‘Ik hoor je moeder nu tegen haar broers en moeder zeggen: mijn man is een dandy en mijn dochter een prinsesje.’‘Dat kan niet! Dat kun je niet horen.’ Ik keek hem vol ongeloof aan.‘Echt waar, pup. Ze hapt in een krakeling.’ Hij boog zijn hoofd nog iets meer en knikte toen heel overtuigd: ‘Ja, ik hoor duidelijk het kraken van een krakeling.’ Dat kon. Mijn oma liet mensen altijd zoveel krakelingen eten als ze op konden. Ik besloot het te geloven en ging op mijn vaders rug zitten. We galoppeerden naar de voortuin. ‘Vanavond ga je eten bij de buurvrouw.’ Hij wees naar de gezette vrouw die in de tuin naast ons een gieter vulde. ‘De buurvrouw is heel aardig. Kijk hoe ze de plantjes verzorgt. Ze zingt een liedje, hoor je het? Buurvrouwen die zo'n mooi liedje zingen wanneer ze de plantjes water geven, moeten wel aardige vrouwen zijn.’Ik keek naar de rode jurk van de zacht wiegende buurvrouw. ‘Ik ken ook veel mooie liedjes, papa.’‘Jij zit vol met mooie liedjes en daarom vind ik jou nog veel aardiger dan de buurvrouw.’

Het huis rook naar de cake die de buurvrouw speciaal voor mij had gemaakt. Naast mijn bord lagen een grotemensenvork en -mes en ze had mijn melk ingeschonken in een wijnglas. ‘Ik hoop dat je niet te veel poffertjes hebt gegeten vanmiddag,’ zei de buurvrouw terwijl ze een ovenschotel op tafel zette. Ik zag dat er kip in zat en hoopte dat ik de vleugel mocht. ‘Wil jij straks lekker kluiven aan het vleugeltje?’ vroeg ze.
‘Ja graag,’ zei ik en ik schoof mijn bord een stukje naar voren.‘Even wachten lieverd, we gaan eerst nog bidden.’ De buurvrouw glimlachte vriendelijk.‘Ja, mevrouw,’ antwoordde ik.‘Bedank de Heer voor het eten en voor de fijne dag.’Ik keek naar de buurvrouw en naar de bruine krullen die op haar bord hingen doordat ze haar hoofd had gebogen. Ongeveer op het moment dat ik mijn handen net als de buurvrouw in elkaar vouwde, sprong mijn vader in zijn netste pak voor de internationale trein. Maar dat wist ik toen niet. Ik had mijn ogen dichtgeperst en bad, zo hard als mijn gezicht het aan kon, dat mijn vader en ik iedere dag vrij van moeder en school konden zijn. Daarna bedankte ik de Heer voor de kippenvleugel en de cake met het laagje suiker.
 


 

 

 
 

Restaurantgegevens

Janneke van der Horst
Stadhouderskade, 1074 BC, De Pijp, Amsterdam
Telefoon: ja
Keuken open: eenmaal per maand 19.00-19.30
Keuken: Zeer gevarieerd. Van saté tot hamburger
Ook solo, authentiek, buiten eten op terras, bereikbaar per Saab 900 cabriolet, Jeep of Triumph Spitfire, entertainment, wifi/draadloos internet en kabeltelevisie van de bejaarde buurman, groepen max. 6 personen, privéruimte max. 2 personen
Gem. prijs 3-gangen: hoofd- en/of buikpijn

Meningen van proevers samengevat: Janneke van der Horst is the place to be voor hip Amsterdam. Hier kom je 'om er geweest te zijn'. Reserveren is niet mogelijk, eten alleen op zeer exclusieve uitnodiging. Als je eruit ligt, lig je er voor altijd uit. De sfeer hangt ergens tussen studio 54 en een Vlaamse tafeltenniskantine.
Je komt hier niet voor het eten, 'We kregen de biefstuk nog bijna koud op ons bord', of goede zorgen: 'Breng zelf goede wijn mee. En wc-papier.'
Vraag om eten voor de tv en trek iets roods aan.
Eten: 4,5 Service: 5 Decor: 9

Goed
Ik kreeg voor de vierde keer achtereen dezelfde pasta. Prima, maar verwacht niet te veel van een keuken die volledig leunt op een smoezelig geworden weekmenu van de Allerhandeweek 34, 2006. De muziek varieert van disco tot rap maar wordt na tienen afgewisseld door of ondersteund met liveoptredens van de gastvrouw.
Roos

Uitstekend
Ik kom hier vaker, maar zeker niet voor het goede eten of de prettige bediening. Hier kom je om er geweest te zijn. Eten komt erg snel maar het duurt lang voor de borden en schalen daarna weer van tafel worden gehaald. Als het al gebeurt. Wijn wordt in hoog tempo bijgeschonken. Mensen die vaak komen, gaan gewoon met hun bord op schoot op de bank zitten, vanwaar je een perfect uitzicht hebt op de televisie. Vraag hierom!
Joy

Uitstekend
Verrassend. Al jaren geen sukadelapjes meer gehad. Zeker niet in combinatie met geitenkaas en mozzarella. Ik kwam hier vroeger heel vaak. Had nu voor het eerst mijn kersverse vrouw meegenomen. Veel roods is er over haar lichtgele jurk gegaan. Van bosbessenjam tot al half geconsumeerde en nog slijmerige rode gomballen.
Harold

Goed
Er werd niet gevraagd hoe we ons vlees wilden, we kregen de biefstuk nog bijna koud op ons bord. Toen een van mijn tafelgenoten voorzichtig probeerde te zeggen dat ze vegetariër was, viel hoongelach haar ten deel. Entourage echter is zeer uniek. Als je door de rommel, de kleuren aan de muur, het geflikker van beelden van Lingo op de achtergrond, de bescheiden oppervlakte en de lekkages heen kijkt, waan je je zo ergens anders. Breng zelf goede wijn mee. En iets om de salade mee op te scheppen. En wc-papier.
Matthijs