Veel vrouwen voelen zich herboren als ze hun haar rood verven, onder het mom: ‘een nieuw kapsel, een nieuwe ik’. Mannen geloven niet zo in de kracht van de kleurspoeling of het permanentje, maar steeds vaker kom ik oude kennissen tegen die geen Tommie meer heten maar Tom of hun tweede en derde naam ineens pontificaal op hun visitekaartje zetten. In Friends veranderde Phoebe haar naam in Princess Consuela Bananahammock, want als je alles kunt kiezen waarom zou je dan voor Laura of Ellen gaan?
Er zijn twee soorten mensen die zich zonder goede reden een nieuwe naam aanmeten: de gekken en de aanstellers. De grootste aansteller van al mijn vage kennissen is Lodewijk, hij luistert tegenwoordig officieel naar de naam Bliksemflits. Tenminste, dat beweert hij, ik heb geen idee of de gemeente het toelaat dat een papperige jongen van eind twintig zichzelf zo’n belachelijke naam geeft, maar het was destijds wel weer reden voor een avond drinken en dansen. Bliksemflits geeft al een feestje als hij weet welke dag van de week het is, dus we kregen begin 2007 een geboortekaartje met zijn nieuwe naam erop, en vierden de geboorte van Bliksemflits met ongeveer zestig man en grote flessen champagne.
Behalve dat hij een groot feestgever is, valt er weinig aardigs over de jongen Bliksemflits te vertellen, of het moet zijn dat hij nooit een vrouw, zelfs niet tien vrouwen, zal laten betalen na een etentje, aardig kan dansen en voor zover ik weet nog nooit een hond heeft geschopt.
Gisternacht eindigden we weer in Casa Amstel – ik maak geen grapje, zo wordt zijn huis genoemd, omdat het uitkijkt over de Amstel. Hij zegt ook altijd als er iemand voor het eerst binnenkomt: ‘wees welkom, mi casa su casa’, op de aanstellerige toon van iemand die veel reist maar weinig talen spreekt.
Als ik een man was, zou ik expres naast de pot plassen, maar domme meisjes vinden het geweldig, dansen tegen hem aan alsof ze geen armen hebben en hem met hun heupen naar de slaapkamer moeten duwen, de plek waar hij het een stuk minder goed doet dan op de dansvloer. Misschien moet ik er nog bij vertellen dat ik ook ooit een week of zo met hem ging, maar hij zoent zoals zijn karakter is; slijmerig en inhalig.
Zijn beste vriendin Caty begon gisteravond weer voor ons te zingen. Er zijn van die vrouwen die van zichzelf vinden dat ze zo mooi kunnen zingen dat ze zelfs in Lang zal ze leven al hun gevoel leggen. Caty is er ook zo één. Ze heet trouwens eigenlijk Irene, ik heb nog bij haar op de middelbare school gezeten, maar ze noemt zichzelf nu Caty, omdat ze denkt dat ze ooit nog een internationale ster wordt.
Het ging zoals vaker, Caty zong met vele snikken haar eigen bij elkaar gejatte lied over hoe beautiful ze wel niet is, terwijl Bliksemflits na een uur lang dansen met twee negentienjarigen op de bank naast mij in slaap viel.
Hij is het bewijs dat de kracht van een naam wordt overschat: of hij nu Lodewijk of Bliksemflits heet, hij lijkt op een te vroeg geboren baby als hij slaapt en hij stinkt uit zijn mond naar voetbalsokken.

Jamsessie De korte Golf, by Kenneth Muskiet
De Reguliersdwarsstraat is voor mij nog steeds een soort no-goarea. Niet omdat er een winkel zit waar ze mannentanga’s verkopen en ook niet omdat het er altijd een beetje stinkt naar bier en naar die zurige lucht waar Amsterdamse dwarsstraten vaak naar ruiken, maar omdat ik nog steeds emotioneel word in die straat.
In de Reguliersdwarsstraat zat tot een paar jaar geleden café de Korte Golf. De enige echte stamkroeg die ik in mijn leven heb gehad. En het was niet alleen mijn stamkroeg, mijn baan daar als barvrouw was ook de leukste baan tot nu toe. Nu vinden velen het misschien wat overdreven om emotioneel te doen over een kroeg, dat begrijp ik. Maar als er een plek is waar dingen gebeuren die voor altijd tussen vier muren moeten blijven, dan wil je dat die muren blijven staan. Al is het maar omdat je het idee hebt dat de herinneringen anders zo veel sneller vervliegen.
Niet dat het zo’n ruige kroeg was, ik kan me niet herinneren dat er ooit coke uit mijn navel is gesnoven, om maar een voorbeeld te noemen, maar het was een kroeg voor mensen met een hang naar melancholie. Mensen die genoeg hadden aan drank en gesprekken en die gevoelig waren voor de geschiedenis van de kroeg.
Want de liefde voor de Korte Golf ontwikkelde je meestal niet, die werd je aangepraat. Oudere stamgasten konden je het gevoel geven dat je net het grote feest had gemist. Ze vertelden ons hoe Mick Jagger er ooit optrad op één van de jamsessies op zondag. En hoe ze vroeger altijd in de Korte Golf indronken voordat ze naar de beruchte discotheek ‘de Richter’ gingen. En wij, onze generatie stamgasten, gaven weer hoog op over het nachtelijke bezoek van Marcus Miller, en dat hij ‘gewoon’ een cola light bestelde.
Alle verhalen werden doorgegeven en gaven ons de energie tot zeven uur ’s ochtends te blijven. Voor de toekomste herinnering. Om na sluitingstijd niet te klagen als één van de muzikanten de klep van de valse piano opende en luidkeels vervelende liedjes begon te zingen, omdat we er toch de romantiek van probeerden in te zien. En ons geduld werd beloond; als we elkaar nu tegenkomen – op straat, of in een andere kroeg – is de Korte Golf ons voornaamste gespreksonderwerp. Niet omdat je, zoals je vaak met andere oud-collega’s of vrienden uit een verloren tijd, echt geen ander gespreksonderwerp hebt, maar omdat we blij zijn dat we het er eindelijk weer over kunnen hebben met een gelijkgestemde.
Carmiggelt schreef eens: ‘Ik houd zo van een oude Amsterdamse kroeg, de diepe bedstee in het veilig vaderhuis.’ Zo hielden wij van de Korte Golf. Of meer, het was niet de vertrouwde geur van een vaderhuis dat ons steeds weer trok maar de warmte van de moederschoot.
Nu is de Korte Golf niet meer. De stamgasten dronken de kroeg langzaam leeg, lieten stapels bonnetjes achter of dronken gratis met het personeel mee. Het lot van een kroeg met een te aardige kroegbaas en een publiek van studenten en arme muzikanten.
Op de avond dat de Korte Golf sloot, haalden we foto’s van de muur en de cd’s uit het rek. De jongens van de overkant rolden barkrukken naar hun trappenhuis. We dronken de laatste flessen leeg, zongen nog een keer op de klanken van de valse piano. Toen we naar buiten liepen, was het al licht. Ik was 23 jaar. Veel te jong om een stamkroeg te verliezen.
Bij gebrek aan tekst deze flyer.
Komt allen maandagavond!
En met allen bedoel ik alle vier mijn trouwe bezoekers (inclusief mijn vader en moeder).