Zondag: de douche geeft alleen nog maar koud water, net nadat ik een dikke laag shampoo in mijn haar heb gedaan. ’s Avonds wil ik wraps eten maar ik ben het pakje met wraps vergeten bij de kassa van de supermarkt, waar ik vorige week ook al een zakje zoute griotten heb laten liggen. Ik durf niet weer terug. De batterij van de afstandsbediening van mijn televisie is leeg, nergens liggen nieuwe batterijen. De thee is lauw als ik een slok neem. Op werkelijk geen enkele zender vind ik Jack van Gelder.
Maandagmorgen nog steeds koud water. De keukenkraan lekt. Op het werk is het half drie als ik denk dat het vijf uur is. Ik heb een blaar op mijn voet van mijn kapotte gymp, stoplichten springen steeds op rood, overal lopen lelijke mensen. De lelijkste schreeuwt me na op straat. Een Belg nota bene.
Dinsdag heb ik vijf goede ideeën voor een column maar ik ben ze na een paar minuten alweer vergeten. Er is weer warm water maar de douchestraal is zo magertjes dat ik eerst mijn rug doe en dan mijn buik. ’s Middags bijna onder een tram gefietst en daarna in een groepje dronken Ierse toeristen, op wie het geluid van mijn fietsbel geen enkele indruk maakt. De keukenkraan lekt nog steeds. Twee keer twee natte sokken. Niemand leuks belt. Top diep in de nacht zeurt het liedje Copacabana in mijn hoofd. Ik herinner me alleen de eerste zin van het refrein.
Woensdag: op mijn balkon zit een mus met een kapotte vleugel. Als ik tegen mijn zin de dierenambulance laat komen, is hij nergens meer te vinden. De broeders zeggen dat dit kan gebeuren, met dieren. Aan het eind van de middag zie ik de mus weer. Zijn vleugeltje hangt er nog steeds zielig bij. Ik laat hem aan zijn lot over en voel me daardoor de hele avond miserabel. Ik probeer dat gevoel weg te drinken maar als ik dronken word, voel ik me nog steeds miserabel. Weer tevergeefs gezocht naar Jack van Gelder op tv.
Donderdag. Slecht geslapen. Nog ver voor de wekker buiten een bakje water neergezet voor de mus met de kapotte vleugel. Op het Rembrandtplein blijf ik in mijn slaperigheid met het voorwiel van mijn fiets in een tramrails hangen en val om. Iedereen kijkt naar me. Mijn broek is iets te laag.
Vrijdag heb ik niets te doen. Mijn ouders vragen of ik mee ga naar een begrafenis. Ik pas. Om mezelf op te vrolijken bel ik drie uur lang naar de moppentelefoon. Een mop schrijf ik op.
Op zaterdagavond ontmoet ik een jongen in de kroeg die gedichten schrijft. Over zijn gevoelens. Omdat hij daar ‘iets mee moet’. Ik probeer hem op tactische wijze te lozen maar hij heeft inmiddels ook gevoelens voor mij gekregen. Die moet hij uiten. Ik veins aambeien en ga naar huis. Onderweg word ik uitgescholden voor kankerhoer en stomme kut omdat ik voorrang heb. Voor mijn huis denk ik even dat ik Han Peekel zie staan maar het is een gearmd Chinees paartje.