Janneke van der Horst
 

Ze wisten niet of ze vereerd moesten zijn of zich ernstig zorgen moesten maken toen een vrouw aan ze vroeg of ze de nachtburgemeesters van Amsterdam waren.

 
 

Ik was achttien, klaar met de middelbare school en ik kon overal naartoe. Naar Oost-Europa, Rio de Janeiro, Azië, New York, Berlijn. Maar ik vertrok naar de stad een kilometer of dertig boven mijn geboortedorp, nam mijn intrek in een kamer waar ik vocht tegen muizen en ratten en een sluimerende eenzaamheid, ondanks de muizen en de ratten en de warme kroegen met mooie vrienden.
Toen ik twintig was, drieëntwintig, vijfentwintig, ook toen kon ik overal naartoe. Ik kende iemand in Israël, in Londen, in Moskou, in de bergen van Marokko. Ik was op de Antillen al eens ten huwelijk gevraagd door een zoon van een steenrijke Venezolaan. In Parijs en Kopenhagen woonden vakantieliefdes, ik kende hun huizen.
Maar ik bleef. En ik verhuisde in de stad naar een pand op de kade, dichter bij het centrum van het centrum, waar je door het zolderraam een tekening uit een prentenboek ziet. Hier woon ik hoog boven de daken, nog hoger boven het grondwater, net boven het Nieuw Amsterdams Peil, waar geen muizen meer komen, en ook geen ratten, maar waar duiven mijn balkon onderpoepen en met hun dikke lijven onhandig landen voor mijn raam. Ik sis ‘kssst’ en de duiven vliegen angstig op, waarna ik ze weer driftig hoor koeren, vanaf het dak van de buren, als verongelijkte burgers op een spreeksteen.
Nog veel erger dan de duiven zijn de reigers, die me in de gaten houden vanuit hun nesten. De reigers die, met hun lange poten en hun lange snavels, de dienst uitmaken op straat. Het geluid dat ze voortbrengen doet pijn aan mijn tanden. Soms fiets ik een stukje om als ik er één zie staan.
Nu ben ik zevenentwintig en ik kan nog altijd overal naartoe. Ik heb geen vaste baan, geen eigen huis, alle goudvissen zijn dood. Op het internet kijk ik wel eens naar voordelige vluchten naar Zuid-Italië en San Francisco, of goedkope treinreizen naar Bretagne. Ik weet dat het vandaag regende in Sienna en dat in St. Tropez de eerste bikini’s al zijn opgemerkt door verheugde columnisten. Morgen verwachten ze onweer in Bangkok en 28 graden in Bloemfontein.
In Amsterdam wordt het vijftien graden met lichte bewolking en kans op neerslag. Ik weet dat het de makelaars niet zal tegenhouden zonnebrillen in hun haar te steken. Toch blijf ik hier, een kilometer of dertig boven mijn geboortedorp. Regelmatig droom ik dat ik alle reigers van de stad één voor één de nek omdraai. Laatst dacht ik dat een duif naar me knipoogde. Mensen zeggen dat er in deze stad altijd een rat binnen vier meter van je vandaan is.

Verschenen in de wereldboekenstadbijlage van Het Parool, met als thema Amsterdam.


 
 

Liefde is sterker dan een regenbui. Ondanks een natte lente en witte wintermaanden houdt het krijt al sinds het  Paasfeest stand. Iedere keer betrap ik me op een licht gevoel van euforie wanneer ik er langsfiets. Het staat er nog. In deze straat waar het ’s ochtends naar oud bier ruikt en er ’s middags Oost-Europeanen messen slikken voor dronken toeristen, geven deze woorden nog wat hoop. Net als kinderstemmen op begrafenissen. Of alcohol op een bedrijfsuitje. De zoen begin ik me langzaamaan toe te eigenen, zoals verhalen van goede vrienden soms de jouwe worden. Ik weet niet of dit een eerste zoen ooit was, of een eerste zoen met iemand van betekenis. Ik denk het laatste, het is geen plek waar jonge tieners zich (zouden moeten) ophouden. Zij, ik vermoed dat zij het was, heeft het er later op geschreven. Een eerste zoen bestaat alleen bij de gratie van een tweede zoen. Voor hun tweede zoen noemden ze het waarschijnlijk nog de 'grote zoen'. Het was geen hongerige zoen, niet wild en onstuimig. Met handen overal. Het was een zoen tussen twee mensen die wisten dat ze de tijd hadden. Of er in ieder geval niet mee in gevecht wilden gaan. Hij zei dat ze mooi was. En zij was nooit mooier. Maar dat wist hij toen nog niet.