Hij vraagt mij wat me bij hem brengt en ik zeg dat ik een vrouw ben zonder anekdotes. Als ik ergens binnenkom, worden alcoholisten nuchter, grappenmakers stil en krolse meisjes zedig. Ik laat een spoor van saaie avonden na. Maar weer net niet saai genoeg om voor altijd te herinneren. Ik vertel hem dat mensen mijn naam vergeten. Dat in een groeps-chat mijn 'hallo allemaal' altijd wordt genegeerd. Ook onder de naam 'sweetsixteen'. En dat mijn oom en tante zich op een avond aan mij voorstelden toen ik al zeven was.
Hij vraagt me hoe ik mezelf zie en ik zeg hem dat ik als een navigatiesysteem ben waar zonder nadenken op wordt vertrouwd maar waar men op vloekt als het het eens laat afweten. Niemand zal straks zeggen dat ik veel vreugde bracht, die bracht ik niet. Ook geen verdriet of oorlog trouwens en ik stak nooit iemand neer. Ik ben meer een vrouw van de vuisten. In gedachten dan. In de werkelijkheid struikel ik bij onrecht over mijn eigen drie- of meer lettergreepverwensingen. Als ik over mezelf wil nadenken moet ik altijd eerst weer even in de spiegel kijken. Bij mijn familie geniet ik evenveel populariteit als een klemmende voordeur. Wel sus ik al doodgeboren ruzies en stuur dagelijks bemoedigende sms'en naar vrienden met problemen maar anderen worden altijd bedankt. Er zijn mensen die met één ferme schouderklap meer steun kunnen geven dan ik in tien bossen bloemen.
Hij vindt dat ik mijn gevoelens mooi onder woorden kan brengen. En hij denkt dat het goed is om een dagboek bij te houden. Steeds als ik ergens over praat, zegt men dat ik het eens voor mezelf op moet schrijven en wanneer ik erover schrijf, raadt men mij aan er met iemand over te praten. Hij denkt ook dat ik bindingsangst heb. En verlatingsangst. En angst voor waterslangen. En dat klopt.
Ik vraag hem wat ik moet doen om de hoofdrol in een anekdote te spelen maar hij zegt dat een goede anekdote niet te regisseren valt. Hij denkt daarbij terug aan een eigen anekdote, ik zie het aan het glimlachje dat treiterig aan zijn lippen hangt. Ik weet zeker dat hij lid is geweest van een studentenvereniging. Zo'n lachje is het wel. Zo lach je als er ergens kots in het spel was. Ik herken ze. Ik spaar anekdotes van anderen. Ik weet hoe je een herinnering ophaalt, waar je je handen houdt en hoe je de toehoorder aankijkt.
Toch is dat iets anders dan het zelf in de praktijk brengen. Soms vertel ik een verhaal, een grappig verhaal, net daarvoor door een ander verteld. Ik vertel het precies hetzelfde, neem op hetzelfde moment adem, wissel het verteltempo op exact dezelfde manier af. Toch ontvang ik geen enthousiast gelach, geen geproest en wordt er niet op benen geslagen. Ik heb nog nooit iemand een goede anekdote over mij horen vertellen, noch is het mij gelukt een goede anekdote niet te verkrachten.
Hij vraagt me waarom ik zo graag een rol in een anekdote wil spelen. En ik hoef daar niet over na te denken. Een mens zonder anekdotes is al voor zijn sterven dood. Hij vraagt of ik dit wil toelichten en ik wist dat hij dat zou vragen maar ik weet niet hoe ik het moet uitleggen. Het gaat allemaal over later.
Op begrafenissen maak ik aantekeningen. Thuis heb ik alvast netjes uitgewerkte begrafenisredes liggen voor op mijn eigen begrafenis. Voor te lezen door mijn zus, mijn elfjarige nichtje, een paar vriendinnen, een collega en een vriend. Een anekdote valt niet te regisseren, maar de herinnering aan mij wel. Het maakt niet uit dat het niet waar is. Het geheugen kent geen absolute waarheid. Ik zeg hem dat aangeprate herinneringen ook herinneringen zijn. En dat de tijd aan mijn kant is. Hij antwoordt dat de tijd om is en dat ik tachtig euro moet betalen. Als ik opsta zie ik dat hij niets heeft opgeschreven maar wel een tekening heeft gemaakt van een kudde zebra's.
We maken een nieuwe afspraak.
Vreemden laat ik niet graag toe in mijn huis. Niet meer. Mijn huis was ooit een vrolijk huis, waar mensen leefden en deden wat daar allemaal bij komt kijken. Nu leven er geen mensen meer, maar woon ik er, alleen, en laat mijn theezakjes opdrogen op het keukenblad.
De dag dat ze vertrok, haar kleine kamer had leeggehaald, de borden en kaasschaaf meenam, dacht ik nog dat de muren de warmte wel vast zouden houden. Dat ik beter af was alleen.
Maar op een dag mis je de muizen. En leer je dat de eenzaamheid langzaam je huis binnendringt, zich ophoopt als stof. Ooit kwam er nog een man, en stofte ik de kamer vrolijk, liet zijn geur leven achter, echode zijn lach nog dagen na. Maar de man kwam niet meer en liet alleen zijn afwezigheid achter op plekken waar je steeds tegenaan stoot. Nu is het huis als de donkere plek in je hoofd waar je niemand uitnodigt omdat er zo weinig te lachen valt.

Ik heb op de lagere school vier jaar over mijn zwemdiploma gedaan omdat ik mijn hoofd niet boven water kon houden. Zo verklaarde mijn zwemleraar dat in ieder geval aan mijn ouders. Dus bleef ik net zolang lessen volgen tot ik dat wel kon. Maar leven moet je maar meteen kunnen en je krijgt ook nooit een diploma. Sommige mensen vinden dat geen probleem. Leven is voor hen blijven ademen. Wanneer je hart maar pompt en je adem kunt halen dan leef je. Zo simpel ligt het volgens mij niet. Zwemmen is ook iets heel anders dan slechts je hoofd boven water houden. Een dikke jongen uit mijn tweede jaar zwemles kon heel goed drijven op zijn rug. Hij ging in het water liggen en dreef. En verder deed hij niks. Onze zwemlerares probeerde hem de slagen te leren maar zodra ze niet keek draaide hij zich op zijn rug om weer te gaan drijven. Hij keek altijd gelukkig wanneer hij dreef maar zwemles gaat niet om geluk. Iedere keer werd hij weer aan een haak naar de kant getrokken. Dat soort dingen kon ik als kind al niet aanzien. Volgens mij heeft de dikke jongen nooit zijn diploma gehaald terwijl ik zeker weet dat hij nooit zal verdrinken.