Janneke van der Horst
Mijn week 06/09/2009
 

Zondag: de douche geeft alleen nog maar koud water, net nadat ik een dikke laag shampoo in mijn haar heb gedaan. ’s Avonds wil ik wraps eten maar ik ben het pakje met wraps vergeten bij de kassa van de supermarkt, waar ik vorige week ook al een zakje zoute griotten heb laten liggen. Ik durf niet weer terug. De batterij van de afstandsbediening van mijn televisie is leeg, nergens liggen nieuwe batterijen. De thee is lauw als ik een slok neem. Op werkelijk geen enkele zender vind ik Jack van Gelder.
Maandagmorgen nog steeds koud water. De keukenkraan lekt. Op het werk is het half drie als ik denk dat het vijf uur is. Ik heb een blaar op mijn voet van mijn kapotte gymp, stoplichten springen steeds op rood, overal lopen lelijke mensen. De lelijkste schreeuwt me na op straat. Een Belg nota bene.
Dinsdag heb ik vijf goede ideeën voor een column maar ik ben ze na een paar minuten alweer vergeten. Er is weer warm water maar de douchestraal is zo magertjes dat ik eerst mijn rug doe en dan mijn buik. ’s Middags bijna onder een tram gefietst en daarna in een groepje dronken Ierse toeristen, op wie het geluid van mijn fietsbel geen enkele indruk maakt. De keukenkraan lekt nog steeds. Twee keer twee natte sokken. Niemand leuks belt. Top diep in de nacht zeurt het liedje Copacabana in mijn hoofd. Ik herinner me alleen de eerste zin van het refrein.
Woensdag: op mijn balkon zit een mus met een kapotte vleugel. Als ik tegen mijn zin de dierenambulance laat komen, is hij nergens meer te vinden. De broeders zeggen dat dit kan gebeuren, met dieren. Aan het eind van de middag zie ik de mus weer. Zijn vleugeltje hangt er nog steeds zielig bij. Ik laat hem aan zijn lot over en voel me daardoor de hele avond miserabel. Ik probeer dat gevoel weg te drinken maar als ik dronken word, voel ik me nog steeds miserabel. Weer tevergeefs gezocht naar Jack van Gelder op tv.
Donderdag. Slecht geslapen. Nog ver voor de wekker buiten een bakje water neergezet voor de mus met de kapotte vleugel. Op het Rembrandtplein blijf ik in mijn slaperigheid met het voorwiel van mijn fiets in een tramrails hangen en val om. Iedereen kijkt naar me. Mijn broek is iets te laag.
Vrijdag heb ik niets te doen. Mijn ouders vragen of ik mee ga naar een begrafenis. Ik pas. Om mezelf op te vrolijken bel ik drie uur lang naar de moppentelefoon. Een mop schrijf ik op.
Op zaterdagavond ontmoet ik een jongen in de kroeg die gedichten schrijft. Over zijn gevoelens. Omdat hij daar ‘iets mee moet’. Ik probeer hem op tactische wijze te lozen maar hij heeft inmiddels ook gevoelens voor mij gekregen. Die moet hij uiten. Ik veins aambeien en ga naar huis. Onderweg word ik uitgescholden voor kankerhoer en stomme kut omdat ik voorrang heb. Voor mijn huis denk ik even dat ik Han Peekel zie staan maar het is een gearmd Chinees paartje.

 
 

Het is zo’n straat waar ouders uit een dorp blij van worden. De stoepen zijn breed en geveegd, de huizen ruim, er zijn genoeg drempels om auto’s af te remmen, moeders lachen. De enige geluidsoverlast komt van voetballende basisschoolkinderen of koerende duiven. Ik bewoonde er tot genoegen van mijn dorpse ouders een kamer. Het was er veilig. Ze konden er goed parkeren.

Ik keek uit op een straat met precies dezelfde huizen als waar ik zelf in woonde. Soms vergiste ik me in mijn eigen deur. Een paar blokken verder woonde een vriendin in eenzelfde kamer als ik, het uitzicht verschilde alleen in het ontbreken van een vergeelde stadsdeelposter bij haar overbuurman.                                                       

In de winter was de straat grauw, zelfs het licht uit de huizen kon de straat niet opvrolijken. In de zomer hing er een dorpse rust, maar dan zonder het dorpse groen en zonder de dorpse uitzichten. Zonder dat dorpse gevoel dat de wereld klein genoeg is om te overzien. Ik bracht mijn dagen zo veel mogelijk door in het centrum, mijn avonden nog meer. Als ik ’s nachts de straat in fietste, sloeg het geluid van mijn ratelende kettingbak heen en weer tegen de huizen.                                   

In het huis werd weinig gelachen. De enige vrolijkheid kwam van telefoon en televisie. De huisgenoot was ongelukkiger dan ik. We hadden geen gezamenlijke hobby’s, maar joegen eensgezind in het mooie huis, in de nette buurt, met de brede stoepen, op kleine, grijze muizen. We gaven ze gif. We stopten een apparaat in het stopcontact dat zulke hoge tonen voortbracht dat de muizen ervoor zouden wegrennen. We legden overal muizenvallen neer, ik leerde er veel over muizen vangen. Muizenvallen die je evenwijdig aan de muur zet, vangen de meeste muizen. Als ik geluk had, ving ik er vier per week. De kraalogen negeerden me wanneer ik ze oppakte. Het verraad was te groot. Soms waren de muizen ons te slim af, en vonden we lege muizenvallen, zonder komijnenkaas. Maar meestal niet. Met een tang gooide ik de dode muizen uit het raam.

De huisgenoot bracht een kat in huis. Een overblijfsel van het ontbonden huwelijk van haar ouders. Goed tegen de muizen. Kaalgeschoren omdat de huisgenoot allergisch was. De huisgenoot negeerde het beest, zoals ze leven negeerde. Ze gaf hem 's ochtends en 's avonds eten. Vol afschuw aaide ik ’s nachts de naakte huid van een eenzame kat.

De kat joeg met haar geur de muizen weg. Steeds vaker bleef ik logeren in studentenhuizen waar mensen tot diep in de nacht om een praatje verlegen zaten. Waar je niet ‘in slechts tien minuten fietsen in de stad was’, maar waar je gewoon de deur of het raam open moest doen. Ik houd van de nauwe steegjes. Van de versiersels op de huizen, van het lawaai op het plein. Van de stadse rust van de Plantagebuurt. Van het leven, het leven, het leven.

 
Casa Amstel 03/24/2009
 

Veel vrouwen voelen zich herboren als ze hun haar rood verven, onder het mom: ‘een nieuw kapsel, een nieuwe ik’. Mannen geloven niet zo in de kracht van de kleurspoeling of het permanentje, maar steeds vaker kom ik oude kennissen tegen die geen Tommie meer heten maar Tom of hun tweede en derde naam ineens pontificaal op hun visitekaartje zetten. In Friends veranderde Phoebe haar naam in Princess Consuela Bananahammock, want als je alles kunt kiezen waarom zou je dan voor Laura of Ellen gaan?
Er zijn twee soorten mensen die zich zonder goede reden een nieuwe naam aanmeten: de gekken en de aanstellers. De grootste aansteller van al mijn vage kennissen is Lodewijk, hij luistert tegenwoordig officieel naar de naam Bliksemflits. Tenminste, dat beweert hij, ik heb geen idee of de gemeente het toelaat dat een papperige jongen van eind twintig zichzelf zo’n belachelijke naam geeft, maar het was destijds wel weer reden voor een avond drinken en dansen. Bliksemflits geeft al een feestje als hij weet welke dag van de week het is, dus we kregen begin 2007 een geboortekaartje met zijn nieuwe naam erop, en vierden de geboorte van Bliksemflits met ongeveer zestig man en grote flessen champagne.
Behalve dat hij een groot feestgever is, valt er weinig aardigs over de jongen Bliksemflits te vertellen, of het moet zijn dat hij nooit een vrouw, zelfs niet tien vrouwen, zal laten betalen na een etentje, aardig kan dansen en voor zover ik weet nog nooit een hond heeft geschopt.
Gisternacht eindigden we weer in Casa Amstel – ik maak geen grapje, zo wordt zijn huis genoemd, omdat het uitkijkt over de Amstel. Hij zegt ook altijd als er iemand voor het eerst binnenkomt: ‘wees welkom, mi casa su casa’, op de aanstellerige toon van iemand die veel reist maar weinig talen spreekt.
Als ik een man was, zou ik expres naast de pot plassen, maar domme meisjes vinden het geweldig, dansen tegen hem aan alsof ze geen armen hebben en hem met hun heupen naar de slaapkamer moeten duwen, de plek waar hij het een stuk minder goed doet dan op de dansvloer. Misschien moet ik er nog bij vertellen dat ik ook ooit een week of zo met hem ging, maar hij zoent zoals zijn karakter is; slijmerig en inhalig. 
Zijn beste vriendin Caty begon gisteravond weer voor ons te zingen. Er zijn van die vrouwen die van zichzelf vinden dat ze zo mooi kunnen zingen dat ze zelfs in Lang zal ze leven al hun gevoel leggen. Caty is er ook zo één. Ze heet trouwens eigenlijk Irene, ik heb nog bij haar op de middelbare school gezeten, maar ze noemt zichzelf nu Caty, omdat ze denkt dat ze ooit nog een internationale ster wordt.
Het ging zoals vaker, Caty zong met vele snikken haar eigen bij elkaar gejatte lied over hoe beautiful ze wel niet is, terwijl Bliksemflits na een uur lang dansen met twee negentienjarigen op de bank naast mij in slaap viel.
Hij is het bewijs dat de kracht van een naam wordt overschat: of hij nu Lodewijk of Bliksemflits heet, hij lijkt op een te vroeg geboren baby als hij slaapt en hij stinkt uit zijn mond naar voetbalsokken.

 
Stamkroeg 03/19/2009
 

Jamsessie De korte Golf, by Kenneth Muskiet


De Reguliersdwarsstraat is voor mij nog steeds een soort no-goarea. Niet omdat er een winkel zit waar ze mannentanga’s verkopen en ook niet omdat het er altijd een beetje stinkt naar bier en naar die zurige lucht waar Amsterdamse dwarsstraten vaak naar ruiken, maar omdat ik nog steeds emotioneel word in die straat.
In de Reguliersdwarsstraat zat tot een paar jaar geleden café de Korte Golf. De enige echte stamkroeg die ik in mijn leven heb gehad. En het was niet alleen mijn stamkroeg, mijn baan daar als barvrouw was ook de leukste baan tot nu toe. Nu vinden velen het misschien wat overdreven om emotioneel te doen over een kroeg, dat begrijp ik. Maar als er een plek is waar dingen gebeuren die voor altijd tussen vier muren moeten blijven, dan wil je dat die muren blijven staan. Al is het maar omdat je het idee hebt dat de herinneringen anders zo veel sneller vervliegen.
Niet dat het zo’n ruige kroeg was, ik kan me niet herinneren dat er ooit coke uit mijn navel is gesnoven, om maar een voorbeeld te noemen, maar het was een kroeg voor mensen met een hang naar melancholie. Mensen die genoeg hadden aan drank en gesprekken en die gevoelig waren voor de geschiedenis van de kroeg.
Want de liefde voor de Korte Golf ontwikkelde je meestal niet, die werd je aangepraat. Oudere stamgasten konden je het gevoel geven dat je net het grote feest had gemist. Ze vertelden ons hoe Mick Jagger er ooit optrad op één van de jamsessies op zondag. En hoe ze vroeger altijd in de Korte Golf indronken voordat ze naar de beruchte discotheek ‘de Richter’ gingen. En wij, onze generatie stamgasten, gaven weer hoog op over het nachtelijke bezoek van Marcus Miller, en dat hij ‘gewoon’ een cola light bestelde.
Alle verhalen werden doorgegeven en gaven ons de energie tot zeven uur ’s ochtends te blijven. Voor de toekomste herinnering. Om na sluitingstijd niet te klagen als één van de muzikanten de klep van de valse piano opende en luidkeels vervelende liedjes begon te zingen, omdat we er toch de romantiek van probeerden in te zien. En ons geduld werd beloond; als we elkaar nu tegenkomen – op straat, of in een andere kroeg – is de Korte Golf ons voornaamste gespreksonderwerp. Niet omdat je, zoals je vaak met andere oud-collega’s of vrienden uit een verloren tijd, echt geen ander gespreksonderwerp hebt, maar omdat we blij zijn dat we het er eindelijk weer over kunnen hebben met een gelijkgestemde.
Carmiggelt schreef eens: ‘Ik houd zo van een oude Amsterdamse kroeg, de diepe bedstee in het veilig vaderhuis.’ Zo hielden wij van de Korte Golf. Of meer, het was niet de vertrouwde geur van een vaderhuis dat ons steeds weer trok maar de warmte van de moederschoot.
Nu is de Korte Golf niet meer. De stamgasten dronken de kroeg langzaam leeg, lieten stapels bonnetjes achter of dronken gratis met het personeel mee. Het lot van een kroeg met een te aardige kroegbaas en een publiek van studenten en arme muzikanten.
Op de avond dat de Korte Golf sloot, haalden we foto’s van de muur en de cd’s uit het rek. De jongens van de overkant rolden barkrukken naar hun trappenhuis. We dronken de laatste flessen leeg, zongen nog een keer op de klanken van de valse piano. Toen we naar buiten liepen, was het al licht. Ik was 23 jaar. Veel te jong om een stamkroeg te verliezen.

 
Voetballiefde 02/10/2009
 

Als je als vrouw van voetbal houdt, heeft dat vaak te maken met een man. Er is een vader of een broer die liever had gezien dat je een jongetje was. Of er is de knappe keeper van de B1, op wie je indruk wilt maken. En als er een voetballer als Dani een paar keer het 'Moppie van de week' is in de Tina, zitten er ook een stuk meer meisjes op zondagavond te knoeien met het bord op schoot.
Maar het zijn er niet veel die het volhouden. Het blijft een bepaald slag vrouwen dat liever naar het voetbalstadion gaat dan lunchen met vriendinnen. In het stadion zie je dan ook veel vrouwen die met hun korte haren niet meer van mannen te onderscheiden zijn en ook mannen met staarten die vreemd genoeg niets van vrouwen weg hebben. Ook is het permanentje onder bezoekende tienermeisjes nog steeds waanzinnig populair. Bepaalde vrouwen, uit bepaalde buurten, blijven er generaties lang steeds hetzelfde uitzien. Of sommige kappers worden erg oud.
Ik heb geen permanentje en ook geen kort haar. En ik weet dat de combinatie van mijn voetballiefde en mijn status van eeuwige vrijgezel wel eens vragen oproept, maar als iemand denkt dat je lesbisch moet zijn om als vrouw rennende mannen toe te juichen, zou je mannen ook homo kunnen noemen, omdat ze graag naar cheerleaders kijken.
Mijn voetballiefde is begonnen in mijn kindertijd. Het was geen liefde op het eerste gezicht. Geen mooi verhaal over een koude winterdag aan de zijlijn van FC Huppeldepup waar de toen nog onbekende latere topverdediger een prachtige sliding maakte, waarbij de modder tot aan zijn lies kroop. Nee, mijn broer beloofde mij op een dag een zak snoep als ik fan zou worden van Ajax. Hij had iemand nodig om een bescheiden wave mee te doen om onze vader, een Feyenoordsupporter, te pesten. Het was bij ons thuis elke week een klassieker.
Voetbal stond vanaf toen voor mij niet zozeer voor sport, voetbal stond voor een wij- en zijgevoel. Voetbal was iets van mijn vader en mijn broer en ik mocht daarbij aanschuiven. Mijn zus en mijn moeder hoorden er niet bij.
En later, toen ik met regelmaat thuiswedstrijden van Ajax bezocht en de wave allang uit was, genoot ik van de mannen om mij heen die negentig minuten aan het zuchten en steunen waren en de eigen spelers luid een plek onder de douche toeschreeuwden en van het collectieve gemopper en gevloek op de scheidsrechter. Er is veel te zeggen voor een stadion dat lijkt te exploderen na een prachtig doelpunt. Er is nog meer te zeggen voor een Arena waarin iedereen verontwaardigd opspringt na een foute beslissing van een grensrechter.
Soms krijg ik van supporters van provincieverenigingen, eigenlijk alle clubs buiten Amsterdam en Rotterdam, het verwijt dat de sfeer in het Ajaxstadion helemaal niet 'gezellig' is. Dat zijn mensen die het niet hebben begrepen. Voetbal gaat niet om gezelligheid. De voetbalclub is geen carnavalsvereniging, waar alles wat op het veld gebeurt, toch wel leuk is. Die mensen zijn in de Arena alleen maar welkom in het uitvak of het familievak.
Want niet een lied als 'holadiejee we doen nog mee' doet een goed supportershart kloppen. Nee, het allerfijnste geluid ter aarde is een gezamenlijk fluitconcert. Daarvan krijg je kippenvel op je hart.

 
Skype 02/08/2009
 

“Hoor je me, schatje?”
“Ja, hoor jij mij, lieffie?”
“Ik hoor je.”
“Ik hoor jou ook.”
“Fijn.”
“Hi.”
“Hi.”
“Hoe is het?”
“Goed, met jou?”
“Wat zeg je?”
“Goed, en met jou?”
“Kun je iets minder dicht bij de microfoon gaan zitten? Het kraakt.”
“Hoor je me nu beter?”
“Nee.”
“En zo?”
“Ja, nu kraakt het minder.”
“Oké, ik vroeg hoe gaat het met JOU?”
“Ik zie jou niet.”
“Ik jou wel.”
“Ja, je moet even op ‘start mijn video’ drukken.”
“Oké, gedaan.”
“Ah! Daar ben je.”
“O, ik zie er echt heel raar uit, heel overbelicht en zo, ik zie er eigenlijk veel beter uit, hoor.”
“Je ziet er een beetje moe uit.”
“Wat zeg je?”
“Dat je er moe uitziet.”
“Dank liefje, jij bent nog veel mooier.”
“Het kraakt weer zo. Laten we even opnieuw bellen.”
“Ik heb echt zo’n...hallo?

“Hallo?”
“Hi, hoor je me nu?”
“Ja maar er is iets met jouw computer, ik hoor een heel raar geluid.”
“Ik hoor je nu wel prima, dus dat ligt dan dus aan jouw computer.”
“Schatje, ik skype net nog met Johan en er is niets aan de hand.”
“Hmmm. Nou, de webcam is echt van een goed merk, hoor.”
“Had je een fijne dag vandaag?”
“Het gaat wel. Het regent hier en bij jou?”
“Hier ook, het is koud. Laat even iets van jezelf zien.”
“Zie je me zo helemaal? Of moet ik nog iets naar achteren?”
“Ik wil even je borsten zien.”
“Wat zeg je, liefje?”
“Dat ik zin heb om je borsten te zien.”
“Wat wil je zien?”
“JE BORSTEN!”
“Ah, nee hoor, nu even niet, niet weer. Heh, nee hoor.”
“Ja maar schatje, ik mis je, ik mis…godver! Hé!”

“Hallo, schat.”
“Ik word gek van dat gekraak, godverdomme.”
“Ja, ik kan er niets aan doen. Wel fijn dat we elkaar weer even spreken, toch?”
“Ja. Heel fijn om weer even te horen hoe het met je gaat.”
“En dan te bedenken dat we zo ver uit elkaar zitten en dat we elkaar gewoon kunnen spreken. Het is toch echt mooi dat dat allemaal kan, bedenk ik me wel eens. We zitten zeker vijfhonderd kilometer bij elkaar vandaan en…”
“Godver, godver, het begint weer!”
“Hallo, hallooo?”
“Ik bel je wel op je mobiel.”
“Hallo? Schat? Hallooooo.”

 

 
Dromen 01/30/2009
 

Ik ben op de IMC Weekendschool Zuidoost, leerlingen uit groep acht uit de Bijlmer ondervragen me over het schrijverschap: “Heeft u een man? Heeft u kinderen? Wilt u kinderen? Wilt u heel misschien kinderen, u ziet wel hoe het loopt of heel erg graag? Wat voor man zoekt u?”
De geestdriftige ondervrager Jonathan is vooral geïnteresseerd in de mens achter de schrijver, blijkt. Maar het meisje Andrea niet. Zij heeft zelf een boek geschreven, vertrouwt ze me later toe. Ze denkt aan haar boek als ze mij een vraag stelt. “Bij welke uitgeverij zit u? Hoe kwam u daar terecht? Kunnen kinderen ook geld verdienen met het schrijven van boeken? Wie zijn uw inspiratiebronnen?”
Op de laatste vraag antwoord ik met mijn lievelingskinderboekenschrijvers. Roald Dahl, Thea Beckman en Astrid Lindgren. Ik weet niet of ze nog steeds geliefd zijn onder kinderen en ik vraag voorzichtig of ze deze schrijvers misschien kennen. Vier meisjes links van mij, vier verschillende culturen, knikken braaf en noemen titels.
Het zijn totaal andere werelden maar we lazen zo’n zestien jaar geleden dezelfde boeken in Blaricum als deze Bijlmerkinderen nu. Het is een geruststellende gedachte. We spreken een beetje dezelfde taal.
De langste van het stel, Jamith, steekt nooit zijn vinger op als hij iets wil vragen. Misschien komt het door zijn lengte, misschien doordat hij zo zachtjes praat, dat ik steeds als hij iets zegt, de vingers van de rest negeer. “Kun je uw boek in de winkel kopen?” vraagt hij. Ik antwoord bevestigend. Hij glimlacht even, heel kort, en antwoordt dan nog zachter: “Dromen kunnen dus uitkomen.”
Jamith weet niets van mijn dromen en ik weet niets van zijn dromen maar ik begrijp nu dat deze school de kinderen hoop geeft. Deze kinderen, afkomstig van de armste, zwarte scholen, komen hier in aanraking met uitgekomen dromen. Op alle niveaus. Ze ontmoeten advocaten maar ook doventolken, liedjesschrijvers, artsen, cameramannen, topsporters, verplegers, dierenverzorgers uit Artis. Mensen die hun vak met plezier beoefenen. Ze leren dat er meer is tussen schoonmaker en arts.
De kinderen krijgen de opdracht zelf een verhaal te schrijven. Het resultaat is soms verrassend, maar vaker nog ontroerend. Een geboren journalist schrijft een verhaal over Russen die Amerika aanvallen: ‘Binnen de VN wordt besloten dat Rusland alle schade aan Amerika moet compenseren.’ Er gaan veel mensen dood in de verhalen, er zijn drugs, tumoren, auto-ongelukken, coma’s, maar ook verliefdheden, een droom over een sinaasappel en een eerste dag op de middelbare school. Soms zijn verliefdheden waar gebeurd, soms zijn de doden echt dood.
Een bedeesd meisje laat mij haar verhaal over een eerste verliefdheid lezen. ‘Dingen die niet bijzonder lijken, kunnen heel bijzonder zijn.’ Ik zeg haar dat ik het een prachtige zin vind en dat het voor mij de essentie van schrijven is. Schrijven over dingen die niet bijzonder lijken. Ze is zo verlegen dat het lijkt of haar glimlach naar binnen trekt.
Ik vraag of ze schrijfster wil worden. ‘Nee, dokter. Chirurg. Of misschien actrice.’ Ze durft haar eigen verhaal niet voor te lezen in de klas. Cherrelle durft dat wel. Ze neemt het uiterst serieus. ‘Titel: moet ik nog bedenken. Schrijver: Cherrelle. Uitgeverij: nog niet bekend.’
Niemand moet hierom lachen.

 
 

Het zwembad loopt over in de zee. Zo lijkt het. Het is moeilijk te zeggen waar het zwembad ophoudt, de zee begint en de lucht het overneemt. Aan de overkant zie je de vuurtoren van Saint-Tropez staan. Er varen bootjes en grote jachten voorbij. De zon schijnt, de ijskast is gevuld met alles waar ik van houd en met spullen waar de rest niet van aankomt.

's Avonds genieten we mee van het vuurwerk van de feesten van supersterren en de slaapkamergeluiden van de buren een eindje verderop.

Ik stel voor dat we hier blijven. Voor altijd. We kunnen hier immers ook werken. Biertappers en artsen zijn overal nodig. We blijven hier, verdelen de kamers. Er is plek genoeg. Voor altijd in deze formatie. Voor altijd met zijn vieren. We koken 's avonds om de beurt. Turen daarna over het water. De cicaden overstemmen met hun hoge getjirp het geluid van het achteroverklokken van alle flessen wijn.

We praten over onze dag totdat de muggen ons naar binnen jagen. We ruiken 's nachts naar citroen en de knoflook van de lunch, het avondeten en de hapjes bij de borrel voor het slapengaan. Misschien beginnen we na verloop van tijd wel een hotelletje. Dat noemen we dan Les Amies. Onze ouders kunnen daar hun oude dag uitzitten met zicht op de Middellandse Zee. Of we worden eigenaar van een Bar Tabac, waar oude mannen komen gokken op paarden, jongere mannen loten krassen en de vrouwen over elkaar roddelen.

We laten hier in de tuin limoenen, olijven, lavendel en tijm groeien. In onze vrije tijd maken we onze eigen parfum en stampen blootsvoets in onze eigen druiven. Vrienden die ons bezoeken geven we zelfgemaakte wijn mee en Franse mayonaise voor onze broers.

We worden door de zeelucht uitgerust wakker en prijzen ons steeds gelukkig dat we niet met onze fietsen door de miezerregen hoeven. We bedenken ons hoe grauw de lucht kan zijn in Amsterdam op maandagochtend en hoe diep de plassen op de Stadhouderskade. Hoe hoog onze trappenhuizen zijn.

Soms denken we aan tram 5, de ' gratis' tram waar het op natte herfstdagen zo stinkt naar vochtige jassen en hondenharen. Aan de supermarkten waar je geen levende kreeft kunt krijgen of een iPhone. We vragen ons af met wie onze oud-collega's de perforator nu moeten delen. Hoe het onze andere vrienden vergaat. En of Arnots op het Singel nog bestaat. En grillroom Mama op de Korte Leidsedwarsstraat voor de nachtelijke pitabroodjes kaas. We denken aan de winkels die niet dicht zijn met de lunch. Aan de rust van een avond alleen. Ochtenden alleen. Middagen alleen. Even alleen zijn.

We missen de lucht door de kale bomen. We dromen 's nachts over het Spui. En we betrappen ons er bij het ontbijt steeds vaker op te bedenken hoe het zou zijn de andere drie, één voor één, net te lang met hun hoofd onder water te houden.

 
 

Vrijgezelle lezer, maakt u zich vooral ongerust. U heeft jarenlang alleen maar gefocust op uw spiegelbeeld, uw spiermassa en overbodige haartjes, die u zelfs in de flipstand nog even snel met een pincet wist te bereiken. Maar zegt u nu zelf, wanneer heeft u voor het laatst een diepgaand gesprek gevoerd? Genoten van een zingende merel in de regen en een film waarin goed werd geacteerd? Wanneer was u voor het laatst lekker spontaan en avontuurlijk?
Uiterlijk is van gisteren. Van de twintigste eeuw. Er is vandaag de dag een kans van één op tien dat u uw partner ontmoet op het Internet in plaats van bij de koffieautomaat van het middelgrote bedrijf in de randstad waar u werkt of op dansschool & partycentrum Petra. En die kans stijgt met de dag. Wij zijn opgevoed met het idee dat schoonheid van binnen zit. Ergens heel diep. We hebben het nooit aangenomen. En nu is het te laat. We hebben onze inhoud enorm verwaarloosd op fitnessapparaten, blaadjes sla en Bruna's boeken top tien. Maar nu is de tijd daar dat we het op inhoudelijke kracht moeten doen. Onze goede huid maakt geen enkele eerste indruk meer. Onze woorden zijn ons nieuwe uiterlijk. Over twintig jaar weet niemand meer beter dan liefde op het eerste tekstje bij Relatieplanet. Van deze site heb ik alvast een selectie voor u gemaakt, om er in te komen, uit de groep hoogopgeleide – ik herhaal, hoogopgeleide – mannen en vrouwen tussen de vijfentwintig en de veertig jaar oud. Waar is Cyrano wanneer je hem nodig hebt?

Ons voorland:
 
Linda: 'Hi leuke mannen van Nederland, ik ben een leuke, spontane, knuffelige meid van achtentwintig. Op zoek naar een lieve, oprechte, betrouwbare, rechtschapen en vooral EERLIJKE man die een echt knuffeldier is en dus niet liegt. Heb je zin om met mij, mijn dochtertje en onze twee wilde rasterriërs het bos in te gaan op zondagmiddag? Mannen van boven de veertig met vrouw krijgen geen antwoord.'


Joseph: 'Ben jij die leuke meisje?'

Johan: 'Ik kan op verschillende standjes. In de stand 'romantisch' zing ik gedichten van Poesjkin voor je en begeleid ze met een goed glas goed gerijpte rode wijn op de piano. Het intellectuele standje is voor wanneer je ernaar verlangt diepzinnige filosofische gesprekken met me te voeren, bijvoorbeeld over de relatie tussen taal, denken en realiteit. Zet je me in de stand 'dierlijk' dan grom ik vervaarlijk en loop je de kans dat ik je plotseling van achteren bespring.'


Margriet: 'Anderhalf jaar geleden is mijn man overleden bij een auto-ongeluk (niet zijn schuld) waar ik nog steeds zelf een whiplash aan heb overgehouden. Hierdoor kan ik mijn oude hobby streetdance helaas niet meer beoefenen en ben ik zodoende heel wat vrienden verloren en zit ik veel alleen thuis en ben ik derhalve weer in een depressie geraakt waar ik met vallen en opstaan uit probeer te komen.  Ik hield vroeger van de natuur en cabaret.'


Bastiaan: 'Wat ik zoek? In ieder geval geen chagrijnig pleuruswijf dat de hele dag loopt te zieken aan je harses en zelf niks meemaakt. Voel je je aangesproken? Niet Reageren! In het kort iets over mezelf: fijngevoelig en sociaal.'

Hendrik: 'Ik zoek een vrouw, werk en woning.'


Inhoud telt eindelijk. En daar mag u best een beetje angstig van worden.



 
Kwaliteitsvlees 01/26/2009
 

Het is ondanks mijn vliegangst altijd weer bijzonder aangenaam om van Amsterdam naar Nice te vliegen en terug. Het is een zeer prettig soort mensen waarmee je het vliegtuig deelt. Niemand dringt voor of maakt schuine moppen tegen de stewardess.

Sommige mensen zien vliegen als een sportieve prestatie. Doen speciaal voor de vlucht hun hardloopschoenen en joggingbroek aan, maar met de mensen in dit vliegtuig kun je direct door naar la Rive in het Amstelhotel. De overhemden en gezichten zijn glad gestreken, men spreekt met elkaar op fluistertoon, er wordt hier en daar bescheiden gekucht. Uiteraard klapt de passagier voor je niet zonder een beleefd ‘pardon’ de stoel achterover op je schoot en wordt er niet geklapt als de piloot het toestel aan de grond zet. De piloot is potjandorie geen straatartiest.
Er zijn hoeden en hoedjes en veel goud bij brons gerimpelde huiden. Net niet dezelfde huiden als hoog geblondeerde vrouwen met platte tongval langzaam laten garen in Spaanse badplaatsen. Het scheelt weinig, maar de Rivièrazon bruint net iets chiquer dan die aan de Costa del Sol. Oudere vrouwen dragen verveeld kijkende hondjes mee in deftige mandjes. Ik vermoed dat de hondjes in de winter wel eens een jasje dragen.

Behalve de vrouwen met hun hondjes heeft niemand opmerkelijke handbagage mee. Op sommige vluchten zag ik mensen de meest merkwaardige voorwerpen het vliegtuig binnendragen. Lange buisvormige dingen. Vierkante dozen, lood om mee te duiken, gitaartassen, in noppenfolie ingepakte apparaten volgeplakt met een dreigend ‘breekbaar’. Onvoorzichtig op jouw See Buy Fly-tasje met sterke drank gegooid.

Volgens een meisje bij de marechaussee nemen veel vrouwen hun vibrators mee in hun handbagage. Daar kun je natuurlijk niet een paar dagen zonder als je koffer onverhoopt achterblijft of wanneer je een vlucht hebt van langer dan vier uur. Holden Caulfield beweert in The Catcher in the Rye dat een koffer veel zegt over een mens. Laat ik dat aanscherpen: handbagage zegt alles over een mens. Ik weet zeker dat ik nooit een man zal trouwen die een lang buisvormig ding meeneemt op een vliegreis.

Mijn vliegangst, of claustrofobie, is met zulk gesoigneerd gezelschap merkwaardig genoeg minder aanwezig. Al zijn mijn handen nog steeds klammer dan onder normale omstandigheden en mijn nagels niet meer even lang als ik ben geland. Vliegen blijft iets barbaars. Niet alleen omdat je kilometers boven de grond hangt, een vrij onnatuurlijke positie, maar ook omdat je urenlang de lucht van een groep totale vreemden zit in te ademen en al die tijd armpje vrijt of vecht met iemand die je op de grond niet eens de weg zou willen wijzen.De vergelijking met een grote groep roze varkentjes op weg naar het slachthuis komt vaak in me op. Al zijn het nu natuurlijk wel bijzondere varkentjes. Ze kregen alleen het allerbeste eten en zijn opgegroeid met meer dan genoeg ruimte. Als je goed kijkt, zie je de stickers met ‘kwaliteitsvlees’ erop.