Janneke van der Horst
 

Nagelaten Ongeduld

Ze vond het vervelend wanneer mijn haar wild zat of wanneer ik hippe broeken droeg met scheuren. Soms werd ze driftig wanneer ik de koektrommel niet meteen kon vinden. Een drift waarvan ik met deuren ging slaan. En waarvoor we elkaar straften met een minutenlang zwijgen. Ze kon in haar rolstoel zitten als een koning op zijn draagstoel. Ze dirigeerde me met haar oude hand door het vreugdeloze Brabantse dorpscentrum. En wuifde als een volleerde koningin naar gebloemjurkte bekenden. We dronken bitter lemon en rivella. Ze verdeelde pakjes kauwgom onder haar kleinkinderen als een Amerikaanse soldaat in 1945.

Haar lichaam liep sneller naar zijn einde dan haar geest kon bijbenen. Ze was 91 toen ze nog regelmatig op de hometrainer klom om haar beenspieren te sterken. Haar volharding was even ontroerend als onnozel. Lopen kon ze al jaren niet meer. Toch bezat ze een bijzondere wijsheid.

De verpleegsters liepen voor haar net iets harder door haar vele dankbare glimlachjes. Ze geloofde in God zodat ze bezoekjes kreeg van de dominee.

Soms zie ik haar weer voor me vlak voordat ik in slaap val. Of ik mompel aangeschoten tegen haar foto. Ik vind haar in mijn besteklade en de verwaarloosde balkonstoelen. Ik erfde borden, een tafel en 53 zilveren theelepeltjes terwijl ik geen suiker in mijn thee drink. En bovenal liet ze mij al haar ongeduld na. Ik voel haar in mijn zuchten wanneer ik ergens in een rij sta.

Dikwijls moet ik eraan denken dat ze altijd huilde wanneer ik afscheid van haar nam. Ik weet nu dat het een haast hemelse weelde is wanneer er iemand in je leven is die huilt wanneer je vertrekt. Ook als je er niet mee om kunt gaan. Ik huilde pas voorzichtig wanneer ik al door de gangen naar buiten liep. Onzeker over een weerzien. En nog altijd ongemakkelijk met mijn eigen tranen.

Tranen die bij het definitieve afscheid in grote druppels op haar gezicht uiteenspatten en haar lippen nog schraler maakten. Haar oude, dunne huid nog droger. Ze bleven maar vallen. Als ik lang genoeg was blijven staan had ik kuiltjes in haar wangen gehuild.