Janneke van der Horst
  • Keiharde zelfpromotie
  • Staanplaats (Columns Ajax)
  • Boeken
  • Aardige woorden
  • Links
  • Contact
Pianoman 01/26/2009
1 Comment
 

Hij vindt het vervelend wanneer ik ‘oobloomof’ zeg in plaats van ‘o blomhov’ of wanneer ik zijn horoscoop hardop voorlees aan het ontbijt. Soms spreekt hij een zaterdaglang bijna niet tegen me omdat ik de krant eerder heb gelezen en niet goed heb teruggevouwen. Het liefst ziet hij dat ik mijn haar opsteek, niet rook en mijn rode jurk als we uitgaan.

We bewonen de eerste etage van een grachtenpand. Ons huis ligt aan de schaduwkant van de gracht. In de winter is het in ons huis warmer dan in de zomer omdat ik dan kaarsen aansteek en hij de openhaard. Op vrijdag neemt hij bloemen mee naar huis. Hij overhandigt ze dan aan mij om in een vaas te zetten. Ik bedank hem vriendelijk. Soms, heel soms op zondagmorgen, rolt hij tegen me aan, ruikt aan mijn haar en streelt mijn rug net als aan het begin. Ik houd dan mijn adem in, bang om zijn handen af te schrikken. Hij heeft pianohanden, heb ik de eerste keer tegen hem gezegd. Hij heeft een pianolichaam. Hij is lang en slank en heeft sluik blond haar. Zijn haar is nog niet grijzend, zijn lichaam nog niet veranderd. Dat van mij wel. Af en toe zie ik dat hij naar me kijkt wanneer ik naakt ben. Mijn naaktheid windt hem niet meer op, ik zie het aan zijn blik. Die is niet afkeurend, niet uitermate teleurgesteld. Eerder onderzoekend. Zoals je als kind wel eens een je zandkasteel probeerde terug te zien in een hoopje nat zand. Soms lijkt zijn blik verwijtend, alsof hij mijn lichaam verwijt mijn lichaam te zijn. Alsof het niet mijn jonge lichaam is waar hij naar op zoek is maar een ander lichaam. En dan glimlacht hij naar me, berustend. En ik kan niets anders doen dan hem haten. We gaan nog maar zelden met elkaar naar bed. Wanneer we het doen is het alsof ik er niet toe doe. Oscar houdt zijn ogen gesloten. Stoot in me als een bokser die niet van ophouden weet, de bel niet wil horen en maar door blijft slaan. 

Oscar is mijn grote liefde, zoals dat heet. Hij sprak me aan bij de groenteboer. Later zei hij dat hij zelden vrouwen zomaar aansprak. Dat hij ze het liefst van een afstandje bekeek. Ik stond achter hem in de rij en rekende mijn appels en twee ansichtkaarten af. Hij had naar me omgekeken en gezegd: ‘Ik zou graag een ansichtkaart ontvangen.’ Hij zei het zonder glimlach, zonder te flirten. Alsof we al jaren een liefdesrelatie hadden en hij me iets opbiechtte. Ik had niet durven lachen om zoveel ernst, zei alleen dat ik er hem een zou sturen en schreef zijn adres op de achterkant van een vergeten kassabon. Op weg naar huis gooide ik de kaart in de brievenbus. Ik had er alleen mijn telefoonnummer opgezet en ik waarschuwde mijn huisgenoten dat er een man kon bellen die Oscar heette en dat het voor mij was. Dat er een man voor me kon bellen. 

Hij hield van films en nam me, toen we net samen waren, veel mee naar kleine bioscopen waar je je drankje gewoon in een glas kreeg in plaats van karton. We zagen stille films. Films met handcamera's geschoten. Veel naakte vrouwen, geschreeuw en Zuid-Koreanen. We volgenden een uur lang een muis, scharrelend door de keuken op de klanken van housemuziek. Hij probeerde het me soms uit te leggen. ‘Dat ging over ons’, zei hij dan. ‘Over onze generatie. Dat je dat niet ziet. Dit was een spiegel. Het gaat over de eenzaamheid van onze generatie.’ En ik knikte.

'Het was iets kleins, het was jaren terug', zou de buitenwereld zeggen. Of: 'er is niets gebeurd, wees blij'. Maar de kou vindt zijn weg door kieren. We waren de stad ingegaan voor inkopen en hadden ruzie gekregen over de relativiteitstheorie. Hij probeerde het mij al weken uit te leggen. Ik zei hem in de platenzaak dat mensen niet teveel zouden moeten tornen aan begrippen als 'tijd'. Dat ik het leven graag als een lineaire lijn zag, met een nulpunt links en het eindpunt rechts. Hij had me beledigd aangekeken. Voor Oscar was het een vorm van verraad wanneer ik me niet interesseerde voor zijn interesses. Een vorm van achterlijkheid ook. Hij herhaalde wel drie keer ‘lineaire lijn’, voor hij wegliep. Ik heb daarna op hem gewacht in het café, zijn lievelingscafé, ik had eindeloos lang op hem gewacht, het werd donker, het liep tegen sluitingstijd, ik keek steeds op uit de krant of een tijdschrift uit het rek. Ik had naar mijn vinger gekeken, de ring er afgehaald, naar het witte stukje vlees eronder. Ik vroeg me af hoe lang het zou duren voordat mijn vinger eruit zou zien of er nooit een ring had gezeten. Alsof er niet jarenlang dezelfde ring had gezeten, precies op dezelfde plek. Oscar kwam binnen toen ik al was vergeten op hem te wachten. Hij zei:‘Ik heb het niet gedaan. Ze wilde het. En ik wilde het ook, maar ik heb het niet gedaan.’ Hij keek me bijna triomfantelijk aan. ‘Ik wil het al meer dan een jaar.’ Daarna nam hij een slok van mijn wijn. Het was prettiger toen ik nog op hem had zitten wachten. Toen hij er nog niet was. En niemand tegen me sprak over een vrouw, ik wist niet wie, maar wel dat het niet over mij ging. Hij verwachtte dankbaarheid. Ik zag het aan hem. Hij vond dat ik hem moest prijzen voor zijn kracht, hij wilde erover vertellen als een oorlogsheld. Maar ik zweeg. En rekende af.

Had het gedaan, wil ik nu nog wel eens tegen hem schreeuwen. Was met haar meegegaan, had haar op bed gegooid, had het gewicht van je pianolichaam op haar gelegd. Was zonder angst, vol overtuiging in haar gekomen en had niet gedacht aan mij. Maar we hebben het er niet over. En hij zegt: ‘weet je hoe het komt dat de lucht blauw is?’
En ik wil het weten. Ik wil het echt weten.

 

 

 





1 Comment
 
Een dandy en een prinsesje 01/26/2009
 

De dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, verloor ik mijn fietssleutel en mijn vader. Het was een warme dag. Zo'n dag waarop de sproeiers aangaan aan het eind van de middag en je uit alle tuinen de uitgelaten stemmen van de buurtkinderen hoort die in hun ondergoed door het drassige gras glijden. Mijn vader had me die ochtend thuis gehouden van school zodat we eens een dag samen hadden. Zonder mijn bemoeizuchtige moeder om ons heen, die voor een paar dagen naar familie in het Zuiden was. Haar leren koffer had ze volgestopt met delicatessen uit de stad. Wij mochten er niet van snoepen. Mijn vader en ik waren speciaal voor haar familiebezoek nog gefotografeerd. Ze had mij een wit jurkje aangedaan, bekleed met fijne roze bloemetjes. Voor mijn vader had ze een pak en een grote hoed. Het pak was van zachte wol gemengd met kasjmier. Mijn moeder kon niet stoppen over de stof te aaien. ‘Wat kun je toch een dandy zijn,’ had ze gekird terwijl ze haar rood geverfde lippen op zijn wangen achterliet. Toen ik de tuin inliep had mijn moeder licht hysterisch in haar handen geklapt zoals vrouwen dat doen wanneer ze een duur cadeau krijgen. Ze liet me minutenlang rondjes draaien zodat mijn jurkje omhoog bolde en ik gezonde rode wangen kreeg. ‘Prinsesje, prinsesje!’ riep ze opgewonden. Mijn vader had naar me geknipoogd om daarna mijn hand overdreven afstandelijk in de zijne te nemen en arrogant naar de lens te kijken. Mijn jurkje voelde zacht aan op mijn blote benen en kietelde mijn knieën wanneer ik bewoog. De buurjongens keken nieuwsgierig onder de heg door, maar mijn moeder joeg ze met een sissend geluid weg, alsof het katten waren. Na de fotosessie werden we naar binnen gestuurd om ons weer voorzichtig te verkleden, want de kleren moesten dezelfde dag nog terug naar de winkel.

De ochtend van de dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, en mijn fietssleutel en mijn vader verloor, was mijn moeder in alle vroegte vertrokken. En mocht ik van mijn vader een ei kiezen. ‘We eten alleen eieren die zijn geboren om eieren te blijven.’ Ik had geknikt en gekeken naar de schaal vol met eieren die hij op de keukentafel had neergezet. ‘Je moet goed luisteren. In sommige eieren zitten kleine kuikentjes. Wanneer je die in de pan gooit, heb je veren in je dooier.’
‘Ik wil geen veren in mijn dooier,’ had ik gezegd terwijl ik een ei bij mijn oor hield.‘Niemand wil veren in zijn dooier, puppie. Niemand.’ Hij keek me aan. ‘Hoor je iets, een zacht gepiep?’ Ik luisterde geconcentreerd en keek naar mijn vader die zijn vinger op zijn lippen hield. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij nog een keer.‘Ik denk het wel,’ bracht ik onzeker uit terwijl ik een zacht, zeurderig piepen dacht te horen. ‘Bij twijfel altijd wegdoen,’ fluisterde mijn vader en gooide het ei in de prullenbak. Na twaalf eieren hadden we twee eieren waarvan we zeker waren dat er niet in werd gepiept. Mijn vader had de inhoud van de eieren in de pan laten vallen en het vet over het fornuis laten spetteren. Ik had een doekje gepakt maar hij had het van me afgenomen en in de gootsteen gelegd. ‘Vandaag heb je v.v.m.s., pup.’‘Is dat een spel?’Hij streek over mijn haar. ‘Het is geen spel, maar de hele dag spelen. Vrij van moeder en school. Daar heeft ieder kind drie dagen per jaar recht op.’ Hij tilde me op en draaide me in de rondte tot ik duizelig werd. ‘En iedere vader ook,’ zong hij uitgelaten toen ik nog nawankelde.

We hadden de hele omgeving van de poffertjeskraam afgezocht, maar nergens was mijn fietssleutel te vinden. Als troost had ik de hele weg naar huis op de bagagedrager mogen staan en mijn vader mogen commanderen hoe hij moest fietsen. Ik had me vastgehouden aan zijn oren en hij liet me thuis zien hoe groot ze daardoor waren geworden. ‘Dankjewel, puppie, nu kan ik zelfs de mieren horen stampen.’
Ik had hard gelachen.‘Stil eens,’ zei mijn vader terwijl hij zijn hoofd naar rechts boog en zijn ogen sloot. ‘Ik hoor je moeder nu tegen haar broers en moeder zeggen: mijn man is een dandy en mijn dochter een prinsesje.’‘Dat kan niet! Dat kun je niet horen.’ Ik keek hem vol ongeloof aan.‘Echt waar, pup. Ze hapt in een krakeling.’ Hij boog zijn hoofd nog iets meer en knikte toen heel overtuigd: ‘Ja, ik hoor duidelijk het kraken van een krakeling.’ Dat kon. Mijn oma liet mensen altijd zoveel krakelingen eten als ze op konden. Ik besloot het te geloven en ging op mijn vaders rug zitten. We galoppeerden naar de voortuin. ‘Vanavond ga je eten bij de buurvrouw.’ Hij wees naar de gezette vrouw die in de tuin naast ons een gieter vulde. ‘De buurvrouw is heel aardig. Kijk hoe ze de plantjes verzorgt. Ze zingt een liedje, hoor je het? Buurvrouwen die zo'n mooi liedje zingen wanneer ze de plantjes water geven, moeten wel aardige vrouwen zijn.’Ik keek naar de rode jurk van de zacht wiegende buurvrouw. ‘Ik ken ook veel mooie liedjes, papa.’‘Jij zit vol met mooie liedjes en daarom vind ik jou nog veel aardiger dan de buurvrouw.’

Het huis rook naar de cake die de buurvrouw speciaal voor mij had gemaakt. Naast mijn bord lagen een grotemensenvork en -mes en ze had mijn melk ingeschonken in een wijnglas. ‘Ik hoop dat je niet te veel poffertjes hebt gegeten vanmiddag,’ zei de buurvrouw terwijl ze een ovenschotel op tafel zette. Ik zag dat er kip in zat en hoopte dat ik de vleugel mocht. ‘Wil jij straks lekker kluiven aan het vleugeltje?’ vroeg ze.
‘Ja graag,’ zei ik en ik schoof mijn bord een stukje naar voren.‘Even wachten lieverd, we gaan eerst nog bidden.’ De buurvrouw glimlachte vriendelijk.‘Ja, mevrouw,’ antwoordde ik.‘Bedank de Heer voor het eten en voor de fijne dag.’Ik keek naar de buurvrouw en naar de bruine krullen die op haar bord hingen doordat ze haar hoofd had gebogen. Ongeveer op het moment dat ik mijn handen net als de buurvrouw in elkaar vouwde, sprong mijn vader in zijn netste pak voor de internationale trein. Maar dat wist ik toen niet. Ik had mijn ogen dichtgeperst en bad, zo hard als mijn gezicht het aan kon, dat mijn vader en ik iedere dag vrij van moeder en school konden zijn. Daarna bedankte ik de Heer voor de kippenvleugel en de cake met het laagje suiker.
 


 

 

 
    Ik ben geboren in de zomer van 1981, was redacteur bij Propria Cures, had een feuilleton in HP de Tijd, een column in NRC en Het Parool en schrijf regelmatig voor Hard gras. Voor Het Parool keek ik twee seizoenen naar voetballers en materiaalmannen van Ajax en schreef daarover vijf keer per week de rubriek Staanplaats. In april 2008 debuteerde ik met de verhalenbundel ´Ik weet hoe jongens huilen´. Mijn Ajax-columns zijn in juni 2011 gebundeld in ‘Alle dagen Ajax.’ Mijn idool is een kruising tussen mijn oma zaliger, een paar van mijn beste vrienden en Dennis Bergkamp. Ooit ga ik weer een boek (fictie) schrijven.

    Categories

    All
    Amsterdam
    Brokstukken
    Het Parool
    In Kikkerperspectief
    Mededelingen
    Nrc
    Verhalen

    Archief

    Februari 2012
    September 2011
    Juni 2011
    April 2011
    Januari 2011
    November 2010
    Oktober 2010
    Juni 2010
    April 2010
    Maart 2010
    Februari 2010
    December 2009
    September 2009
    Juni 2009
    Mei 2009
    April 2009
    Maart 2009
    Februari 2009
    Januari 2009

    RSS Feed


Create a free website with Weebly