Janneke van der Horst
  • Keiharde zelfpromotie
  • Staanplaats (Columns Ajax)
  • Boeken
  • Aardige woorden
  • Links
  • Contact
Een dandy en een prinsesje 01/26/2009
 

De dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, verloor ik mijn fietssleutel en mijn vader. Het was een warme dag. Zo'n dag waarop de sproeiers aangaan aan het eind van de middag en je uit alle tuinen de uitgelaten stemmen van de buurtkinderen hoort die in hun ondergoed door het drassige gras glijden. Mijn vader had me die ochtend thuis gehouden van school zodat we eens een dag samen hadden. Zonder mijn bemoeizuchtige moeder om ons heen, die voor een paar dagen naar familie in het Zuiden was. Haar leren koffer had ze volgestopt met delicatessen uit de stad. Wij mochten er niet van snoepen. Mijn vader en ik waren speciaal voor haar familiebezoek nog gefotografeerd. Ze had mij een wit jurkje aangedaan, bekleed met fijne roze bloemetjes. Voor mijn vader had ze een pak en een grote hoed. Het pak was van zachte wol gemengd met kasjmier. Mijn moeder kon niet stoppen over de stof te aaien. ‘Wat kun je toch een dandy zijn,’ had ze gekird terwijl ze haar rood geverfde lippen op zijn wangen achterliet. Toen ik de tuin inliep had mijn moeder licht hysterisch in haar handen geklapt zoals vrouwen dat doen wanneer ze een duur cadeau krijgen. Ze liet me minutenlang rondjes draaien zodat mijn jurkje omhoog bolde en ik gezonde rode wangen kreeg. ‘Prinsesje, prinsesje!’ riep ze opgewonden. Mijn vader had naar me geknipoogd om daarna mijn hand overdreven afstandelijk in de zijne te nemen en arrogant naar de lens te kijken. Mijn jurkje voelde zacht aan op mijn blote benen en kietelde mijn knieën wanneer ik bewoog. De buurjongens keken nieuwsgierig onder de heg door, maar mijn moeder joeg ze met een sissend geluid weg, alsof het katten waren. Na de fotosessie werden we naar binnen gestuurd om ons weer voorzichtig te verkleden, want de kleren moesten dezelfde dag nog terug naar de winkel.

De ochtend van de dag dat ik voor het eerst tot de Heer bad, en mijn fietssleutel en mijn vader verloor, was mijn moeder in alle vroegte vertrokken. En mocht ik van mijn vader een ei kiezen. ‘We eten alleen eieren die zijn geboren om eieren te blijven.’ Ik had geknikt en gekeken naar de schaal vol met eieren die hij op de keukentafel had neergezet. ‘Je moet goed luisteren. In sommige eieren zitten kleine kuikentjes. Wanneer je die in de pan gooit, heb je veren in je dooier.’
‘Ik wil geen veren in mijn dooier,’ had ik gezegd terwijl ik een ei bij mijn oor hield.‘Niemand wil veren in zijn dooier, puppie. Niemand.’ Hij keek me aan. ‘Hoor je iets, een zacht gepiep?’ Ik luisterde geconcentreerd en keek naar mijn vader die zijn vinger op zijn lippen hield. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij nog een keer.‘Ik denk het wel,’ bracht ik onzeker uit terwijl ik een zacht, zeurderig piepen dacht te horen. ‘Bij twijfel altijd wegdoen,’ fluisterde mijn vader en gooide het ei in de prullenbak. Na twaalf eieren hadden we twee eieren waarvan we zeker waren dat er niet in werd gepiept. Mijn vader had de inhoud van de eieren in de pan laten vallen en het vet over het fornuis laten spetteren. Ik had een doekje gepakt maar hij had het van me afgenomen en in de gootsteen gelegd. ‘Vandaag heb je v.v.m.s., pup.’‘Is dat een spel?’Hij streek over mijn haar. ‘Het is geen spel, maar de hele dag spelen. Vrij van moeder en school. Daar heeft ieder kind drie dagen per jaar recht op.’ Hij tilde me op en draaide me in de rondte tot ik duizelig werd. ‘En iedere vader ook,’ zong hij uitgelaten toen ik nog nawankelde.

We hadden de hele omgeving van de poffertjeskraam afgezocht, maar nergens was mijn fietssleutel te vinden. Als troost had ik de hele weg naar huis op de bagagedrager mogen staan en mijn vader mogen commanderen hoe hij moest fietsen. Ik had me vastgehouden aan zijn oren en hij liet me thuis zien hoe groot ze daardoor waren geworden. ‘Dankjewel, puppie, nu kan ik zelfs de mieren horen stampen.’
Ik had hard gelachen.‘Stil eens,’ zei mijn vader terwijl hij zijn hoofd naar rechts boog en zijn ogen sloot. ‘Ik hoor je moeder nu tegen haar broers en moeder zeggen: mijn man is een dandy en mijn dochter een prinsesje.’‘Dat kan niet! Dat kun je niet horen.’ Ik keek hem vol ongeloof aan.‘Echt waar, pup. Ze hapt in een krakeling.’ Hij boog zijn hoofd nog iets meer en knikte toen heel overtuigd: ‘Ja, ik hoor duidelijk het kraken van een krakeling.’ Dat kon. Mijn oma liet mensen altijd zoveel krakelingen eten als ze op konden. Ik besloot het te geloven en ging op mijn vaders rug zitten. We galoppeerden naar de voortuin. ‘Vanavond ga je eten bij de buurvrouw.’ Hij wees naar de gezette vrouw die in de tuin naast ons een gieter vulde. ‘De buurvrouw is heel aardig. Kijk hoe ze de plantjes verzorgt. Ze zingt een liedje, hoor je het? Buurvrouwen die zo'n mooi liedje zingen wanneer ze de plantjes water geven, moeten wel aardige vrouwen zijn.’Ik keek naar de rode jurk van de zacht wiegende buurvrouw. ‘Ik ken ook veel mooie liedjes, papa.’‘Jij zit vol met mooie liedjes en daarom vind ik jou nog veel aardiger dan de buurvrouw.’

Het huis rook naar de cake die de buurvrouw speciaal voor mij had gemaakt. Naast mijn bord lagen een grotemensenvork en -mes en ze had mijn melk ingeschonken in een wijnglas. ‘Ik hoop dat je niet te veel poffertjes hebt gegeten vanmiddag,’ zei de buurvrouw terwijl ze een ovenschotel op tafel zette. Ik zag dat er kip in zat en hoopte dat ik de vleugel mocht. ‘Wil jij straks lekker kluiven aan het vleugeltje?’ vroeg ze.
‘Ja graag,’ zei ik en ik schoof mijn bord een stukje naar voren.‘Even wachten lieverd, we gaan eerst nog bidden.’ De buurvrouw glimlachte vriendelijk.‘Ja, mevrouw,’ antwoordde ik.‘Bedank de Heer voor het eten en voor de fijne dag.’Ik keek naar de buurvrouw en naar de bruine krullen die op haar bord hingen doordat ze haar hoofd had gebogen. Ongeveer op het moment dat ik mijn handen net als de buurvrouw in elkaar vouwde, sprong mijn vader in zijn netste pak voor de internationale trein. Maar dat wist ik toen niet. Ik had mijn ogen dichtgeperst en bad, zo hard als mijn gezicht het aan kon, dat mijn vader en ik iedere dag vrij van moeder en school konden zijn. Daarna bedankte ik de Heer voor de kippenvleugel en de cake met het laagje suiker.
 


 

 

 


Comments


Comments are closed.
    Ik ben geboren in de zomer van 1981, was redacteur bij Propria Cures, had een feuilleton in HP de Tijd, een column in NRC en Het Parool en schrijf regelmatig voor Hard gras. Voor Het Parool keek ik twee seizoenen naar voetballers en materiaalmannen van Ajax en schreef daarover vijf keer per week de rubriek Staanplaats. In april 2008 debuteerde ik met de verhalenbundel ´Ik weet hoe jongens huilen´. Mijn Ajax-columns zijn in juni 2011 gebundeld in ‘Alle dagen Ajax.’ Mijn idool is een kruising tussen mijn oma zaliger, een paar van mijn beste vrienden en Dennis Bergkamp. Ooit ga ik weer een boek (fictie) schrijven.

    Categories

    All
    Amsterdam
    Brokstukken
    Het Parool
    In Kikkerperspectief
    Mededelingen
    Nrc
    Verhalen

    Archief

    Februari 2012
    September 2011
    Juni 2011
    April 2011
    Januari 2011
    November 2010
    Oktober 2010
    Juni 2010
    April 2010
    Maart 2010
    Februari 2010
    December 2009
    September 2009
    Juni 2009
    Mei 2009
    April 2009
    Maart 2009
    Februari 2009
    Januari 2009

    RSS Feed


Create a free website with Weebly