Kwaliteitsvlees 01/26/2009
Het is ondanks mijn vliegangst altijd weer bijzonder aangenaam om van Amsterdam naar Nice te vliegen en terug. Het is een zeer prettig soort mensen waarmee je het vliegtuig deelt. Niemand dringt voor of maakt schuine moppen tegen de stewardess. Sommige mensen zien vliegen als een sportieve prestatie. Doen speciaal voor de vlucht hun hardloopschoenen en joggingbroek aan, maar met de mensen in dit vliegtuig kun je direct door naar la Rive in het Amstelhotel. De overhemden en gezichten zijn glad gestreken, men spreekt met elkaar op fluistertoon, er wordt hier en daar bescheiden gekucht. Uiteraard klapt de passagier voor je niet zonder een beleefd ‘pardon’ de stoel achterover op je schoot en wordt er niet geklapt als de piloot het toestel aan de grond zet. De piloot is potjandorie geen straatartiest. Behalve de vrouwen met hun hondjes heeft niemand opmerkelijke handbagage mee. Op sommige vluchten zag ik mensen de meest merkwaardige voorwerpen het vliegtuig binnendragen. Lange buisvormige dingen. Vierkante dozen, lood om mee te duiken, gitaartassen, in noppenfolie ingepakte apparaten volgeplakt met een dreigend ‘breekbaar’. Onvoorzichtig op jouw See Buy Fly-tasje met sterke drank gegooid. Volgens een meisje bij de marechaussee nemen veel vrouwen hun vibrators mee in hun handbagage. Daar kun je natuurlijk niet een paar dagen zonder als je koffer onverhoopt achterblijft of wanneer je een vlucht hebt van langer dan vier uur. Holden Caulfield beweert in The Catcher in the Rye dat een koffer veel zegt over een mens. Laat ik dat aanscherpen: handbagage zegt alles over een mens. Ik weet zeker dat ik nooit een man zal trouwen die een lang buisvormig ding meeneemt op een vliegreis. Mijn vliegangst, of claustrofobie, is met zulk gesoigneerd gezelschap merkwaardig genoeg minder aanwezig. Al zijn mijn handen nog steeds klammer dan onder normale omstandigheden en mijn nagels niet meer even lang als ik ben geland. Vliegen blijft iets barbaars. Niet alleen omdat je kilometers boven de grond hangt, een vrij onnatuurlijke positie, maar ook omdat je urenlang de lucht van een groep totale vreemden zit in te ademen en al die tijd armpje vrijt of vecht met iemand die je op de grond niet eens de weg zou willen wijzen.De vergelijking met een grote groep roze varkentjes op weg naar het slachthuis komt vaak in me op. Al zijn het nu natuurlijk wel bijzondere varkentjes. Ze kregen alleen het allerbeste eten en zijn opgegroeid met meer dan genoeg ruimte. Als je goed kijkt, zie je de stickers met ‘kwaliteitsvlees’ erop. CommentsSteven 02/02/2009 09:58
Ik heb eens een lange, buisvormige giraf meegenomen in het vliegtuig. Of eigenlijk heeft de giraf maar liefst vier verschillende vliegtuigen van binnen gezien. Ik had in de dikke laag krantenpapier waarmee ik haar had ingepakt speciaal miniscule gaatjes voor haar ogen gemaakt. Nadat het vliegtuig in de lucht was, heb ik haar uit het bagagevak gehaald en naast mijn voeten op de grond gelegd. Eerst vlogen we samen vanuit Harare in Zimbabwe via London naar Amsterdam en twee dagen later vanaf Schiphol, via Los Angeles naar Mexico-Stad. In Los Angeles is ze drie keer door een röntgenapparaat gehaald toen ze zagen dat ik uit Amsterdam kwam. Gelukkig behandelden ze haar redelijk voorzichtig. Ik had haar meegenomen om aan een heel mooi, klein Mexicaans meisje te geven. Ik wist niet zeker of het meisje van oranje girafs met zwarte stippen hield, maar ik vermoedde van wel. Ik hield er namelijk zelf ook van. Voordat ik de giraf inpakte, had ik een briefje in de bek van de giraf gedaan. In het briefje had ik een ring gewikkeld. Het meisje zou de oranje giraf met zwarte stippen voorzichtig uitpakken. Ze zou het het mooiste kado vinden wat ze ooit heeft gehad. Vervolgens zou ze het briefje vinden. Als zij zich vervolgens met een liefdevolle, vragende blik zou omdraaien, zou ik haar hand pakken en mijn linkerknie langzaam op de grond laten zakken. Dacht ik althans. Het liep echter anders. Ze leek wel wat op jou. Misschien hield ze niet van mannen die lange, buisvormige dingen meenemen op een vliegreis.
Reply
Comments are closed. | Ik ben geboren in de zomer van 1981, was redacteur bij Propria Cures, had een feuilleton in HP de Tijd, een column in NRC en Het Parool en schrijf regelmatig voor Hard gras. Voor Het Parool keek ik twee seizoenen naar voetballers en materiaalmannen van Ajax en schreef daarover vijf keer per week de rubriek Staanplaats. In april 2008 debuteerde ik met de verhalenbundel ´Ik weet hoe jongens huilen´. Mijn Ajax-columns zijn in juni 2011 gebundeld in ‘Alle dagen Ajax.’ Mijn idool is een kruising tussen mijn oma zaliger, een paar van mijn beste vrienden en Dennis Bergkamp. Ooit ga ik weer een boek (fictie) schrijven.
CategoriesAll Archief
Februari 2012 |
RSS Feed